Veel nieuws in 't Westen

“De hele dag hangt de lucht vol met observatieballonnen. Het gerucht gaat dat de vijand ons met tanks en laag-vliegende machines zal aanvallen. Maar dat interesseert ons minder dan wat we horen over de nieuwe vlammenwerpers.”

Midden in de nacht worden de keizerlijke soldaten uit Erich Maria Remarque's beroemde boek Im Westen nichts neues door granaten gewekt in hun loopgraven. De aarde schudt. 32 van de 150 man keren terug van dat stukje front in 1917.

De Eerste Wereldoorlog ging voorbij, de Tweede kwam. Indië, Korea, Vietnam, Afghanistan volgden. De Koude Oorlog was de vreedzaamste. De eeuw is krankzinnig vol oorlog geweest. Geen wonder dat nu overal in het Westen wordt gekeken naar de geldbuidels van de Armee. Eindelijk is de wapenwedstrijd niet meer nodig.

Nederland blijft niet achter bij het in gedachten verdelen van de buit. Politiecomissaris Northolt van Amsterdam heeft een miljard extra nodig, voor meer veiligheid op straat. Spraakmakers in het CDA zien liever geld van Defensie dan van Ontwikkelingssamenwerking naar Rusland gaan.

De roep om afschaffing van de militaire dienstplicht is in de eerste plaats emotioneel, een vreugdekreet voor vrede en vrijheid. Daar is geen rustige rekensom aan vooraf gegaan. Wie het nu al zeker weet, gokt op een beroepsmacht: vechten is een vak, een carrière voor jongens en meisjes met zin in avontuur.

Sinds de Defensienota van 1991 is er al weer zo veel in de wereld veranderd dat het toekomstplan van de krijgsmacht slijtplekken vertoont. Toch was toen al duidelijk dat de dienstplicht niet meer vanzelfsprekend was. Een commissie onder leiding van de Commissaris van Drenthe, W. Meijer, dacht net na over het vraagstuk toen de Tweede Kamer de tijdgeest vertaalde in haar uitspraak vóór afschaffing van de militaire dienstplicht.

“Ik bewaak de Russen vaak. In het donker zie je hun gestalten scharrelen als zieke ooievaars, als grote vogels. Zij komen dicht bij het hek en drukken hun gezichten er tegenaan; de vingers omklemmen het ijzerdraad. Vaak staan zij met een hele rij naast elkaar, en ademen de wind in die naar beneden komt van de heidevelden en uit het bos.”

De meeste politieke partijen in Nederland zijn uitgekeken op defensie. Na de kruisraketten is de spanning eraf. Het zijn zelden de fractievoorzitters of hun vertrouwelingen die oordelen over het nieuwe transportvliegtuig, de gewenste luchtmobiele brigade, de West-Europese Unie, het Frans-Duitse defensieinitiatief en de aloude Navo, die straks de vroegere vijand nog op cursus krijgt.

De generale staf van het vroegere Sovjet-leger is zoek, niemand weet daar hoeveel rekruten vorig najaar zijn opgekomen, wie waar over gaat en welk materieel het nog doet. Ook ingekrompen West-Europese legers kunnen dat slecht geoefende gevaar onder schot houden. De kernwapens uit de Sovjet-boedel zijn zo talrijk dat zij een serieuze nucleaire tegenmacht vragen. Gelukkig is de Amerikaanse grote broer er nog. Voor het geval dat.

“De dagen passeren. Op een mistige morgen wordt weer een Rus begraven; bijna iedere dag gaat er wel een dood. Ik sta op wacht tijdens de begrafenis. De gevangenen zingen een koraal, veelstemmig. Het klinkt niet als menselijke stemmen, maar als een orgel, ver weg op de hei.”

Deskundigen schatten dat een Nederlandse krijgsmacht nog twee hoofdtaken zal hebben: 1. een bijdrage leveren aan het oplossen van conflicten ergens in de wereld (Koeweit, Cambodja, Angola) en 2. het verdedigen van huis en haard, hier of verderop in Europa. In het tweede geval, dat minder waarschijnlijk is dan het eerste type crisis, zou de bedreiging niet hoeven te komen uit het Oosten. Men kan ook denken aan landen of groeperingen aan de andere kant van de Middellandse Zee, die de economische voorsprong van West-Europa niet langer accepteren.

Voor een Nederlandse rol in de wereldpolitie is de dienstplicht niet nodig. Dat is beroepswerk. Het is een kwestie van geld of we van harte meedoen aan dergelijke flexibele operaties met modern materieel. Hoe zuiniger het antwoord is, hoe duidelijker Nederland zich met landen als België en Denemarken indeelt bij de Europese junioren.

Het meest knellende keuzeprobleem is: wat te doen bij een grootschaliger conflict om het grondgebied van Europa. Kiest Nederland voor een beroepsleger, dan verdwijnt het Eerste Legerkorps - een afgang in de ogen van hoofdofficieren van de oude stempel. Concreter feit is dat een beroepsleger twee keer zo klein is als een leger dat zichzelf in tijden van nood kan aanvullen met dienstplichtigen. Anders gezegd: om de zelfde oorlogssterkte op te brengen moet een beroepsleger twee keer zo groot zijn. Dat is onhaalbaar. Dan wordt defensie duurder in plaats van goedkoper.

“Een mens kan niet begrijpen dat boven zulke verwoeste lichamen nog gezichten zitten waarachter het leven zijn dagelijkse loop heeft. En dit is maar één ziekenhuis, één afdeling. Zo liggen er honderdduizenden in Duitsland, honderdduizenden in Frankrijk, honderdduizenden in Rusland. Hoe zinloos is alles dat ooit kan worden opgeschreven, gedaan, of gedacht, als zulke dingen mogelijk zijn. ”

In Den Haag wordt serieus gedacht over een idee dat is geopperd door oudminister Stemerdink: een intensieve dienstplicht van zes maanden, plus aanvullende opleiding als de nood aan de man zou komen. Niet om de veel besproken band met de maatschappij te redden. De variant biedt vooral praktische voordelen.

Een dergelijk leger vergt van de gelukkigen die worden goedgekeurd de helft van de huidige twaalf maanden, en belooft toch twee keer zo veel gevechtskracht als een even kostbaar beroepsleger. Bovendien wordt men minder afhankelijk van het te verwachten aanbod op de arbeidsmarkt voor beroepssoldaten: werklozen, allochtonen, laag geschoolden en maatschappelijk weinig geïntegreerden. Het leger houdt de beschikking over elders al opgeleide artsen, technici, verplegers en dat soort mensen. Zonder die goedkope bron van gespecialiseerd personeel is een sergeant met computer-kennis alleen tegen een kolonels-salaris te krijgen.

“Hij viel in oktober 1918, op een dag dat het zo rustig en stil was aan het front, dat het leger-rapport van die dag zich beperkte tot één regel: "Geen nieuws van het Westelijk front'.”

Alles is veranderd. Alles is toegenomen: het bedieningsgemak van de dood, de intensiteit van het gevecht - een paar weken bijkomen achter het front, zoals in Remarque's dagen, is er niet meer bij. Gebleven is dat militaire dienstplicht van levensbelang kan zijn. Voor de man en voor het land. Ongeacht of het handhaven of afschaffen wordt.