Muziek Berg klinkt doorzichtig bij Tate

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest. Dirigent: Jeffrey Tate. Solisten: Olli Mustonen (piano) en Thomas Zehetmair (viool). Programma: Alban Berg, Kammerkonzert voor piano, viool en dertien blazers; Dvorak, Symfonie nr. 5 in F op. 24. Gehoord: 14/1 in de Grote Doelenzaal te Rotterdam. Herhaling: 15/1 en 16/1 aldaar.

Was het toeval dat in de culturele agenda van Radio Rijnmond bij het RPhO-concert Dvorak werd genoemd en Alban Berg verzwegen? Het tevoren wel volledig geïnformeerde abonnementspubliek heeft zich gelukkig niet laten afschrikken, ook niet door de toelichting in het programmablad die spreekt van een ontoegankelijk stuk: “Er speelt zich zoveel gelijktijdig af dat het een hele opgave is het spoor niet bijster te raken”.

Soms is het beter de waarheid niet zo onomwonden te vertellen. Er is namelijk ook een ander gezichtspunt. Want niet het auditief kunnen volgen van ingewikkelde compositieprocédés bepaalt de muziekgenieting maar het ervaren van de muzikale zegging. Dat was bij Bachs gecompliceerde contrapunt al zo, en helemaal bij de atonale twaalftoonconstructies waarvan na Arnold Schönberg Alban Berg en Anton Webern zich bedienden.

Deze zogenaamde reeksen zijn artificiële compositiesegmenten die alleen langs analytische weg te achterhalen zijn. De uitvoerenden dienen ze te kennen om een zo duidelijk mogelijk klankbeeld te kunnen oproepen. Maar ook voor hen nog belangrijker zijn de diepere achtergronden van dit alles en met deze inhoudelijke kant heeft de luisteraar te maken. Het doet er dus niets toe of hij alle notensymbolen en getallenmystiek in Bergs Kammerkonzert heeft herkend. Het gaat erom of iets van diens heftige emotie - hij componeerde het stuk niet voor niets voor zijn geliefde leraar en vriend Schönberg - is overgekomen.

Aan de beide solisten en de onder Jeffrey Tate adrem en doorzichtig musicerende blazers heeft het niet gelegen. Olli Mustonen en Thomas Zehetmair vertolkten hun partijen formidabel, met een uiterlijk weliswaar bijna karikaturale passie, maar bij Mustonen is dat zijn natuurlijke gedrag aan het klavier. Bij de violist leek de Paganini-houding wat opgelegd.

Tate combineerde Berg met Dvoraks Vijfde symfonie waarbij de winst, vergeleken met de Conlon-uitvoeringen van een paar jaar geleden, werd geboekt door de veranderde orkestopstelling met de contrabassen als een haag voor de marmeren achterwand. De sonoriteit van de orkestklank wint daarbij enorm maar is helaas na Franz-Paul Decker indertijd zelden meer beproefd. Gelukkig kwam Tate op dezelfde lumineuze gedachte.