Mengelmoes van Spaanse muziek

Concert: Hespérion XX en La Capella Reial de Catalunya onder leiding van Jordi Savall. In de serie Zes Wereldberoemde Barokorkesten. Programma: Mateu Fletxa de Oude: La Justa; El Fuego. Bartomeu Cárceres: La Trulla. Gehoord: 14/1 Grote Zaal Concertgebouw Amsterdam.

Spaanse renaissancemuziek in een serie gewijd aan de barok is te vergelijken met een zaal Jan van Eyck op een tentoonstelling van Rubens: een prettige maar misleidende verrassing. Twee eeuwen scheiden Van Eyck van Rubens. Weliswaar later, maar even lang, is de periode die ligt tussen de Spaanse componisten Fletxa, Cárceres en Johan Sebastiaan Bach: ook een wereld van verschil.

Tijdens het concert van Jordi Savall met zijn vermaarde Spaanse instrumentale en vocale ensemble was puur sensitief van Flexta's muziek veel te genieten: een verfijnde klank, pittige ritmes, kortom pakkende muziek die simpel en direct toegankelijk lijkt.

Terwijl zich in de tekst van Fletxa's La Justa een heftige en bizarre veldslag afspeelt tussen goed en kwaad in de vermomming van God en de duivel, verneemt men met het oor niets dan liefelijke klanken en dansende ritmes. Hetzelfde geldt voor El Fuego: er wordt een wereld opgeroepen die in brand staat door de menselijke zonden, maar van die vurige tekst is niets weerspiegeld in de muziek. De wat luchtigere tekst van Cárceres' La Trulla werd daarentegen weer vooraf gegaan door een mysterieuze instrumentale inleiding gespeeld op zink, altpommer en trom die sterke associaties met Mahler opriep.

Ondanks bijgeleverde tekst en uitleg riep dit concert voornamelijk vragen op. Is zo'n zestiende-eeuwse ensalada - oftewel een muzikale mengelmoes - nu wereldlijke of kerkelijke muziek? En als het dan al een hutspot van beide elementen is, moet men zich dan dans en theater erbij voorstellen of niet? Kenden de zestiende-eeuwse Spanjaarden deze teksten zo goed uit overlevering dat zij geen theatrale bezetting nodig hadden? Op al deze vragen schijnen de onderzoekers vooralsnog geen antwoord te hebben gevonden.

Veel aandacht van Savall was gegaan naar een zo kleurrijk mogelijke instrumentatie van de rudimentair overgeleverde partituren, en daar is hij wonderbaarlijk goed in geslaagd. Dat er weinig overkwam van de inhoud van deze muziek was niet aan de musici te wijten, maar meer aan het feit dat er te weinig bekend is over de uitvoeringspraktijk van deze heel vroege periode. Men had dus nauwelijks de middelen om die te vertalen voor een hedendaags publiek, zó als de Wereldberoemde Barokorkesten dat doen met muziek uit de toegankelijkere achttiende eeuw.

Het uitbundige publiek scheen trouwens van al deze vragen geen last te hebben. Daardoor kregen we als toegift nog onder andere een prachtige Villancico van de componist Cererols. Het was op deze avond genieten geblazen zonder te begrijpen waarvan.