Juggernaut zonder rem

De nieuwsvoorziening over het bezoek van president Bush aan Japan is, in tegenstelling tot andere grote internationale evenementen, pover begeleid door deskundigen. Wat meesmuilend heeft men vastgesteld dat de Amerikaanse president op reis was gegaan om meer auto's te verkopen en aldoende aan een galadiner onder tafel is gezakt.

Dat ongeveer is het saldo zoals men het in de Westeuropese publieke opinie kan terugvinden. In werkelijkheid is dit bezoek de korte, geconcentreerde demonstratie van een Amerikaanse mislukking die zich uitstrekt over jaren en die allang niet meer tot de Verenigde Staten beperkt is. In Tokio ging het volgens de agenda om het "openen van de Japanse markt' voor Amerikaanse produkten, of algemener, de spelregels van de internationale vrijhandel die door de Japanners niet voldoende worden gerespecteerd. Maar een eventuele groei van het gewenst respect verandert niets aan het vraagstuk dat de oorzaak van dit relatief kleine conflict is: de onophoudelijke groei van de Japanse economie en de toenemende achterstand, niet alleen van de Amerikaanse maar van alle economieën in het Westen, de Duitse daarbij inbegrepen.

De kern van het probleem is bekend: Japan is op weg de grootste economische macht ter wereld te worden. Over het antwoord op de daaruit voortvloeiende vraag - wat de andere grote economische eenheden eraan moeten doen om bij te blijven - bestaat grote onzekerheid. De belangrijkste vraag die aan het begin van alle andere staat, wordt zelden gesteld. Wat willen de Japanners met hun economische macht? Wat voor invloed zal de rest van de wereld er nog van ondervinden, wat zullen wij in het Westen misschien nog als rekening gepresenteerd krijgen nadat we ons hebben verzadigd aan alle Japanse produkten die beter, mooier en goedkoper zijn dat wat we zelf maken? Of verwachten we dat een zich zo onstuitbaar uitbreidende economische macht (iedere viereneenhalf jaar een groei die gelijk is aan het hele nationaal produkt van Frankrijk) zich tot het einde der dagen van politieke en militaire invloed zal onthouden?

In de eerste helft van het vorig jaar liet de CIA een rapport lekken waarin Japan ervan werd beschuldigd een nieuwe samenzwering tot verovering van de wereldheerschappij op touw te hebben gezet. De bewoordingen waren zo grof dat het geheim agentschap er zelf niet voor wilde tekenen. Misschien is het een poging uit regeringskringen geweest, een paardemiddel, om de Amerikaanse publieke opinie te mobiliseren tegen een nieuw Japan dat, zo had men besloten, van concurrent tot potentiële vijand was geworden. Eigenlijk was dat niet meer nodig. Al jaren geleden hebben arbeiders in Detroit voor de televisie een nieuwe Toyota met mokers tot schroot verwerkt. Dat heeft niet geholpen zoals de handelsreis van Bush heeft aangetoond. Die reis zelf zal het probleem trouwens ook niet oplossen.

Is de Japanse expansie werkelijk het dagelijks geleverde bewijs dat Nippon weer de wereld wil beheersen? De Japankenners die zich daarover willen uitlaten zijn schaars, terwijl men hen juist na het fiasco van Bush graag had willen horen. Het Amerikaanse kwartaalschrift The National Interest (dat zich aan zijn neoconservatieve beperkingen heeft weten te ontworstelen) heeft in zijn herfstnummer van het vorig jaar, juist over deze vraag, een polemiek gepubliceerd van twee onbetwijfelbare deskundigen, de Amerikaanse politicoloog Leon Hollerman en Karel van Wolferen, auteur van onder meer The Enigma of Japanese Power. Zeer kort samengevat betoogt Hollerman dat Japan een "natie-als-hoofdkwartier' is.

In Tokio is men er niet op uit, de wereld te beheersen in de traditionele zin. Er worden geen pogingen gedaan, andere landen tot aanvaarding van het Japans gezag te dwingen. De natie-als-hoofdkwartier heeft een oligopolide structuur en een wereldwijde strategie waarin economie en politiek samenwerken om het nationaal belang te dienen. Die ruime definitie wordt door Hollerman dan nader van inhoud voorzien. Hij beschrijft onder meer hoe de Japanse export een soort turfschip-strategie voert door op grote schaal in het buitenland ondernemingen te vestigen, complexe produktiewijzen op te zetten, risico's bij de export over werelddelen te spreiden, enzovoort. Bij toepassing van al deze, in het hoofdkwartier ontworpen gedragslijnen slaagt de Japanse oligopolie er niet alleen in, de Amerikanen terzijde te schuiven maar ook de Verenigde Staten en Europa in een verhouding te manoeuvreren waardoor deze twee zich onderling verzwakken. Bij Hollerman hoort dit allemaal tot het Japanse Grand Design.

In de uitleg van Van Wolferen is daarvan geen sprake. Er is, zegt hij ongeveer, in Japan geen laatste instituut dat zich voortdurend rekenschap geeft van het doen en laten der natie. Staat en maatschappij vormen een afgeknotte piramide, een toploze formatie die een aantal relatief zelfstandige eenheden van zeer grote omvang bevat. Er is daarom ook geen alles overheersend plan in de tomeloze economische expansie, maar voorzover het die expansie aangaat is er wel een zeer goed werkende coördinatie. Voor het overige, zegt Van Wolferen, "heeft de Japanse juggernaut geen remmen.' Afgezien van dit wezenlijke meningsverschil over een grand design zijn Hollerman en Van Wolferen het in grote mate eens. Naarmate de Japanse expansie voortgaat, zullen hun meningsverschillen vermoedelijk ook geringer worden. Het is namelijk onvoorstelbaar dat een economische wereldmacht waarvan de belangen steeds meer met die van buitenlandse economieën verweven raken, op den duur de bescherming daarvan aan dat buitenland kan overlaten.

In het kielzog van het economisch succes is het, met andere woorden, onvermijdelijk dat ook de Japanse militaire macht zal groeien. Bij alle objectiviteit en welwillendheid waarmee Van Wolferen over het "Japanse raadsel' schrijft, is daarom zijn analyse, zijn visie op Japan als een afgeknotte piramide, onheilspellender dan die van Hollerman.

In dit groter perspectief van de deskundigen gezien verzinkt de trip van Bush in het niet als de wanhoopsreis van een vertegenwoordiger in het zicht van zijn faillissement.