Ibsen, de kunstenaar, de dood en de eenzaamheid

Voorstelling: Wanneer wij doden ontwaken van Henrik Ibsen door Toneelgroep Amsterdam. Vertaling: J. Clant van der Mijll-Piepers; vormgeving: Paul Gallis; regie: Titus Muizelaar; spelers: Peter Oosthoek, Catherine ten Bruggencate, Kitty Courbois e.a. Gezien 14/1 Stadsschouwburg, Amsterdam. Te zien t/m 18/1 aldaar. Tournee t/m 12/3.

Wanneer wij doden ontwaken van Henrik Ibsen is het testament van een kunstenaar, een testament dat tegelijk zijn apologie is. In de persoon van de beeldhouwer Rubek concentreert Ibsen alle conflicten die het kunstenaarschap begeleiden. De man hongert naar het leven uit besef dat zijn toewijding aan de kunst hem daarvan vervreemdde. Door het succes van zijn wereldberoemde beeld De Opstanding verflauwde de artistieke roeping tot scheppen. Zijn muze en model heeft zich jaren terug van hem gedistantieerd omdat zij, in de jeugd van haar leven, door de kunstenaar slechts met zijn ogen werd aangeraakt.

Tegelijk is Ibsens laatste toneelwerk een huwelijksdrama. Daaraan ontleent het zijn "menselijke diepgang'. Rubek staat tussen twee vrouwen in, zijn echtgenote Maja en zijn model Irene. De eerste verwijt hem dat hij haar licht en warmte zou brengen, en hij schonk haar slechts kilte. Van de tweede heeft hij haar ziel geroofd door nooit haar vurig verlangen te beantwoorden.

Nu is het tijd tot het vereffenen van de rekening. Met die inzet begint het stuk en dwingt Ibsen met ontzagwekkende hand de personages naar het slot. Irene waant zich vogelvrij. Rubek en Irene worden, uit vrije wil, bedolven onder een lawine. In de dood vinden zij het leven: ze zijn ontwaakt. De paradox dat het leven pas begint met de dood is, eindelijk, opgeheven.

Het woord "dood' trekt een zware wissel op dit toneelstuk. Dat is niet helemaal terecht. Vrijheid en het verlangen naar verlossing vormen de wezenlijke spil. De personages bewegen zich als in een aan de wereld ontstegen menuet langs elkaar heen. Rubek en zijn hervonden muze stijgen op tot mystieke hoogte; Maja en een berendoder dalen af in de weelderige valeien van de vitaliteit.

In deze tegenstrijdigheid ligt de worsteling besloten van de kunstenaar die de seksualiteit verdringt, of deze in de kunst sublimeert. Door het nadrukkelijke gebruik van symbolen die tot het domein van de kunst behoren, kan het niet anders of Wanneer wij doden ontwaken is Ibsens artistieke credo. En elke regisseur die het drama ten tonele voert, toont hiermee zijn overtuiging.

De regie van Peter te Nuyl enkele seizoenen terug bij het Ro Theater was de formulering van een etherisch, hoogstaand kunstenaarsideaal. Bij Toneelgroep Amsterdam formuleert Titus Muizelaar bij monde en gestiek van hoofdrolspeler Peter Oosthoek een andere optiek. De laatste twee vertellen over de kunstenaar als een "al te menselijk wezen', dat gedoemd is tot ondergang. Bij Te Nuyl was de dood aan het slot weggelaten; Muizelaar bereidt in de belichting en mise-en-scène het slot zorgvuldig voor, waarna de voorstelling in een indrukwekkende finale eindigt. Rookwolken golven en stromen als doodssluiers over Rubek en Irene.

De voorstelling is onvergelijkelijk sereen en zuiver van sfeer. Zonder uiterlijk vertoon, met alleen de muziek van stem en taal, weten de acteurs de spanningsboog vrijwel ongebroken vol te houden. Het tot aan de rand van de toneellijst oprijzende decor vormt een blanke houten trap (Noorse dennebomen!), waarin een zwarte krater gaapt die dankzij ingenieuze belichting van binnenuit op de zijwanden de karteling der bergtoppen weergeeft. In het zwart gaapt de afgrond; het is de muil van de dood.

Het betekenisvolle lijnenspel van decor en belichting (verticalen doorsneden door diagonalen) is terug te vinden in de enscenering. Boven is dood, beneden is leven. Het spel verschuift zich langzaam omhoog. De onnadrukkelijk vanzelfsprekendheid van het acteren, maakt de voorstelling op angstige wijze spannend. Peter Oosthoek als gekwelde kunstenaar is verre van pathetisch, waardoor hij van begin tot eind geloofwaardig is. Catherine ten Bruggencate in de rol van Maja symboliseert de honger naar het dartele leven, en ze doet dat in levendig spel van ingesnoerde en af en toe uitbrekende levenslust. Met de warme stem van een cello zegt Kitty Courbois als muze gruwelijke dingen over de dood, terloops bijna, waardoor het nog dieper snijdt.

Hoe vereenzaamd in hun emoties en gedachten zijn alle personages. Ze zijn vereenzaamd geraakt door het nadenken. Titus Muizelaar en de spelers hebben van dat denken een voorstelling gemaakt van hevige bewogenheid.