Hoop op afwending van staking in Duitse metaal; Helmut Schmidt wil "nul-groei' in CAO's

BONN, 15 JAN. Het bestuur van de Duitse vakbond IG Metall wil de ruim 130.000 werknemers in de Noordwest-Duitse staalindustrie 26 januari in een zogenoemde Urabstimmung laten stemmen over werkstakingen. Niettemin groeit de hoop dat het in de staal- en metaalsector (een kleine vijf miljoen werknemers in totaal) nog zal lukken om tijdig nieuwe CAO-akkoorden te bereiken.

Werkgevers en vakbonden hebben gisteren kenbaar gemaakt zo snel mogelijk verder te willen onderhandelen om het alsnog eens te worden. De druk op de vakbeweging van het publiek en uit de financiële en politieke wereld, ook uit de SPD, om de Duitse economie juist nu de conjunctuur aarzelt niet met hoge CAO-eisen in de industrie en andere sectoren in gevaar te brengen, speelt een belangrijke rol. Na pleidooien van Bundesbank-president Schlesinger, de ministers Möllemann (economische zaken) en Waigel (financiën), SPD-voorzitter Engholm en kanselier Kohl, eind vorige week, voor matiging van CAO-eisen in de metaal en sectoren als banken en overheidspersoneel (nu in beide gevallen 10,5 procent), heeft oud-kanselier Helmuth Schmidt (SPD) zelfs gepleit voor een periode van drie jaar “0-groei” voor Westduitse CAO's. Dit om het opbouwwerk in de vroegere DDR te helpen financieren en als blijk van solidariteit met de ruim de helft lagere Oostduitse CAO-inkomens.

Na de achtste onderhandelingsronde over een staal-CAO in Noordwest-Duitsland, gistermorgen vroeg, lag er nog maar circa één procent tussen een nader aanbod van de werkgevers (van 4,8 naar gemiddeld 5,6 procent voor een jaar) en de afgezwakte eisen van de regionale onderhandelaars van IG Metall. Gezien de verslechterde economische toestand in de tweede helft van 1991, internationale overcapaciteit en gekrompen orderportefeuilles, kunnen de staalwerkgevers nu niet verder gaan dan “het eindbod” van 5,6 procent, minder dan de 6 procent (plus 65 cent per uur) én werktijdverkorting in de vorige CAO. Gisteren meldde Duitslands grootste staalconcern, Thyssen in Duisburg en Krefeld (43.000 werknemers), een omzetvermindering over 1991 met één miljard mark (tot 10,4 miljard) en een winstdaling tot 317 miljoen (1990: 548).

Ook om formeel-juridische redenen, namelijk om te voldoen aan een vereiste om stakingen te kunnen organiseren, kwalificeerden de vakbonds-onderhandelaars het overleg gisteren als mislukt en trokken zich terug op hun oorspronkelijke eis van 10,5 procent. Het bestuur van de IG Metall nam die conclusie later op de dag over van haar regionale onderhandelaars, maar tekende aan bereid te zijn om zonder uitstel verder te onderhandelen.

IG Metaal-voorzitter Steinkühler kwam daarna direct met een correctie op de eisen voor een nieuwe CAO die dit voorjaar moet worden afgesloten in de veel grotere metaalverwerkende industrie (circa vier miljoen werknemers). Bij wijze van “signaal” had zijn bondsbestuur besloten om voor die CAO niet meer “het sociaal gewenste” percentage van 10,5 maar het “het economisch haalbare” percentage van 9,5 loonsverhoging te eisen. Daarbij is mede uitgegaan van een inflatie van 4,5 en een produktiviteitsgroei van 2 tot 2,5 procent over 1992 in West-Duitsland.