Een schrikkeljaar voor wereldeconomie

De internationale economie maakt moeilijke tijden door. De Duitse groei valt terug, de Amerikaanse economie bevindt zich in een recessie, en de liberalisatie van de wereldhandel zit in het slop. Voor Nederland wordt het een jaar van meedeinen met de Bundesbank.

Dit wordt een schrikkeljaar vol economische hindernissen. Europa gaat gebukt onder hoge rente, de Verenigde Staten onder een recessie en Japan onder financiële schandalen. De liberalisatie van de wereldhandel in de Uruguay-ronde dreigt stuk te lopen op een meningsverschil tussen de VS en de EG over vier miljoen ton graan. Japan en de VS kiezen steeds openlijker voor gereguleerde handel, terwijl de EG de grenzen slechts met mondjesmaat opent voor produkten uit Oost-Europa. Het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, de voormalige Sovjet-Unie, staat een financieel-economische crisis te wachten waarvan niemand de gevolgen kan overzien. Niettemin breekt Wall Street de laatste dagen record na record, vooruitlopend op een verwacht herstel.

Nederland, als open economie toch al gevoelig voor internationale invloeden, heeft voor 1992 nog minder speelruimte voor eigen beleid dan in voorgaande jaren. Het wordt een jaartje van meedeinen met de Bundesbank, want de Duitse centrale bank bepaalt de rente in Nederland door de koppeling van de gulden aan de D-mark.

De groei in Duitsland, onze belangrijkste exportmarkt, valt terug en dat zal zijn weerslag hebben op de Nederlandse economie. Een nieuwe ronde van sanering is al ingezet en recente aankondigingen van grote ondernemingen zoals Akzo dat ze ingrijpende reorganisaties willen doorvoeren, zijn aanwijzingen dat het bedrijfsleven zich voorbereidt op magere tijden.

De internationale economie is in handen van de centrale bankiers. Met hun rentebeleid beslissen ze over de kansen op herverkiezing van premier Major in Groot-Brittannië en van president Bush in de Verenigde Staten; met hoge rente proberen ze economische groei af te remmen en elders trachten ze met lage rente de groei te stimuleren.

Het rentebeleid van twee hoofdrolspelers, Duitsland en de Verenigde Staten, loopt scherp uiteen. Het Amerikaanse officiële rentetarief, het disconto, bevindt zich op zijn laagste niveau sinds 1964; de officiële Duitse rente zit op zijn hoogste niveau sinds de invoering van de D-mark in 1948.

Het ongebruikelijk grote renteverschil tussen de dollar en de mark komt doordat de Amerikaanse economie nu al zeventien maanden, sinds de zomer van 1990, in een recessie verkeert en de Duitse economie na de herenigings-boom van 1990-1991 aan afkoeling toe is omdat de inflatie voor Duitse begrippen zorgwekkende vormen aanneemt.

Deze tweespalt tussen de economische conjunctuur in Duitsland en de VS is de belangrijkste factor in de wereldeconomie van 1992. Het is de tegenstelling tussen hoge en lage rente, tussen Duitse deflatie en Amerikaanse inflatie, tussen leeglopen en opblazen van de economie. Eind deze maand, als de ministers van financiën van de zeven belangrijkste industrielanden in Washington bijeenkomen, zal het ongetwijfeld tot felle meningsverschillen tussen de Duitsers en Amerikanen komen.

Economische deskundigen hanteren graag scenario's met een goede afloop. In het scenario '92 gaat men er van uit dat de Amerikaanse economie zal reageren op het shot in the arm dat de voorzitter van het stelsel van Amerikaanse centrale banken, Alan Greenspan, in december toediende door het disconto met een vol punt te verlagen tot 3,5 procent. Normaal gesproken duurt het een maand of zes totdat de effecten van een renteverlaging in de economie van alledag zijn verwerkt. Tegen die tijd staan de presidentsverkiezingen voor de deur en hoopt Bush op een golf van een aantrekkende economie en hersteld vertrouwen herkozen te worden voor zijn tweede ambtstermijn. Naarmate de economie zich verder herstelt, zal de rente weer omhoog gaan en de dollar, die de afgelopen weken richting historisch dieptepunt koerste, zich herstellen.

Pag 16:

Recessie in VS is langste sinds jaren dertig

In Europa zal, nog steeds volgens het scenario van economische deskundigen, het omgekeerde gebeuren als in de Verenigde Staten. De hoge reële Duitse rente van 9,75 procent zal de groeivertraging die midden 1991 inzette, versterken. Nadat de afzwakking van de Duitse economie geleid heeft tot matiging van de looneisen van de Duitse vakbonden en de inflatiedreiging is gekeerd, zal vanaf de vroege zomer de Bundesbank in staat zijn de renteteugels te vieren. Geleidelijk gaat de Duitse rente omlaag, waardoor in de overige landen van het Europese Monetaire Stelsel (EMS, het stelsel van min of meer stabiele koersen waarin de EG-munten, met uitzondering van de escudo en drachme, zijn opgenomen) ruimte ontstaat voor rentedaling. Op termijn zal lagere rente in Europa leiden tot een hervatting van de groei.

Dat is het scenario - maar zover is het nog lang niet. Nu betalen de werknemers in Nederland, Groot-Brittannië of Frankrijk de prijs voor de hoge looneisen van hun Duitse vakbondskameraden. De Bundesbank tracht immers de looneisen in Duitsland af te knijpen door met een hoge rente de economie af te koelen, maar zij beperkt daarmee ook de groei van de economie en werkgelegenheid in de overige EMS-landen (waaronder Nederland) die hun monetaire beleid in feite hebben overgedragen aan de Bundesbank. Deze machteloosheid verklaart waarom Frankrijk zo graag een Europese monetaire unie wil, waarin Duitsland niet langer alleen, maar als een van de lidstaten van de toekomstige Europese centrale bank het monetaire beleid in Europa bepaalt.

Een herschikking van de wisselkoersen in het EMS is een alternatief voor landen die niet willen wachten op een Duitse rentedaling. Maar dat zou neerkomen op een devaluatie ten opzichte van de mark en daarmee op een psychologische nederlaag, omdat het een erkenning zou inhouden dat het pond, de franc of de lire niet in staat zou zijn om de harde mark te schaduwen. Een herschikking van de munten in het EMS is later dit jaar toch waarschijnlijk vanwege inflatieverschillen binnen Europa.

De OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, verwacht dat de groei in Europa dit jaar zal terugvallen van 2,9 procent in 1991 tot 1,4 procent dit jaar. In de Verenigde Staten zal de groei volgens de OESO pas in de loop van het jaar aantrekken. Dat maakt, gepaard met de terugval van Japan, 1992 tot een kwakkeljaar.

Een kwakkelende wereldeconomie maakt de oplossing van internationale problemen niet gemakkelijker. De vuistregel van het Internationale Monetaire Fonds, dat de industrielanden met minimaal drie procent moeten groeien om de positie van ontwikkelingslanden te verbeteren, wordt voor het tweede achtereenvolgende jaar niet gehaald.

Ook voor Oost-Europa belooft dit weinig goeds. Deze landen hebben voor hun beginnende markteconomieën nieuwe afzetmarkten nodig in de Westerse landen. Maar als Europese landen in een recessie verkeren, is de vraag niet overweldigend en ontbreekt bovendien de bereidheid om de grenzen te openen voor textiel, staal of landbouwprodukten uit Oost-Europa die een bedreiging vormen voor de werkgelegenheid in West-Europa.

Een vergelijkbaar probleem doet zich nu voor in de Uruguay-ronde voor handelsliberalisatie. De VS en de EG zijn niet bereid om concessies te doen in het kader van de GATT omdat ze niets extra te verdelen hebben ter genoegdoening van sectoren die bij een nieuw handelsakkoord moeten inleveren. De EG houdt vast aan bescherming van de agrarische sector en de VS weigeren toe te geven bij de liberalisatie van de dienstensector. Met de crisis in de Amerikaanse onroerend-goedmarkt en financiële instellingen staat deze sector toch al onder zware druk.

Zomer 1990 begon de Amerikaanse recessie, die aanvankelijk werd versterkt door de Golfcrisis. Het onverwacht snelle einde aan de Golfoorlog zorgde in het tweede en derde kwartaal van 1991 voor een kortstondige opleving, maar daarna zakte de economie weer weg en nu is sprake van een double dip. De recessie slaat weliswaar niet zo hard toe als in 1981-'82, maar is wat duur betreft inmiddels de langste sinds de jaren dertig. Drie jaar presidentschap van George Bush heeft de Amerikanen nog geen materiële verbetering gebracht en het rotsvaste Amerikaanse vertrouwen dat de volgende generatie het beter zal hebben dan de huidige, begint aangetast te raken.

Alan Greenspan, voorzitter van de Federal Reserve, zei eind vorig jaar dat in de Amerikaanse samenleving sprake is van “een diep gewortelde bezorgdheid, zoals ik die in mijn leven nog nooit heb meegemaakt”.

President Bush heeft Japan voor de economische tegenslagen verantwoordelijk gesteld en hij vertrok begin deze maand als een autoverkoper, vergezeld van 21 Amerikaanse zakenlieden, naar het Verre Oosten om de Japanners een lesje te leren. Samen met premier Kiichi Miyazawa proclameerde Bush een Strategie voor wereldgroei, die niet meer voorstelde dan bestaand beleid gebundeld in een nieuw kaft. Duidelijk was dat de Japanners de Amerikaanse president wel wilden helpen: ze vrezen een Democratische president met een openlijk protectionistisch handelsbeleid méér dan Bush met zijn streven naar gereguleerde handel, waarmee het mercantilistische Japan heel goed kan leven.

Ter wille van Bush verlaagde de Japanse centrale bank het disconto op de op een na laatste dag van 1991 met een half punt tot 4,5 procent en beloofde Japan tijdens het presidentiële bezoek meer Amerikaanse auto-onderdelen in Japanse assemblagefabrieken in de VS te zullen gebruiken en meer Amerikaanse auto's te zullen importen. Banen zal het nauwelijk opleveren en de oorzaken van de Amerikaanse economische problemen zal het zeker niet wegnemen.

Deze oorzaken zijn van binnenlandse aard. Tientallen jaren van falend onderwijs, gebrek aan besparingen, onvoldoende investeringen en een bedrijfscultuur die overdreven gericht is op de korte termijn, hebben de Amerikaanse produktiviteit grondig aangetast. Al jaren blijft de Amerikaanse produktiviteitsstijging achter bij die in Japan of Europa.

Boven dit alles uit torent de reusachtige schuldenlast die de overheid, het bedrijfsleven en de consumenten in de Verenigde Staten in de jaren tachtig hebben opgebouwd. De schulden van de jaren tachtig verhinderen een snel economisch herstel, zelfs nu de rente tot een extreem laag niveau is teruggedrongen. De federale overheid zal dit lopende begrotingsjaar een record-tekort van 375 miljard dollar boeken. Het bedrijfsleven kampt nog met de naweeën van de overnamegevechten met geleend geld en de particulieren zijn bezig om hun hypotheken of schulden op consumentenkrediet af te lossen.

Een procentpunt lagere rente vertaalt zich in zo'n twintig miljard dollar extra bestedingsruimte voor burgers en bedrijven, omdat ze hun schulden tegen een lagere rente opnieuw kunnen financieren. Huiseigenaren passen hun hypotheken aan tegen een lagere rente. Dit verklaart ook de uitzonderlijke activiteit van de afgelopen weken op de Amerikaanse obligatiemarkt: bedrijven lossen hun oude schulden met hoge rentepercentages vervroegd af en trekken geld aan tegen de huidige, lage rente. In snel tempo is het Amerikaanse bedrijfsleven bezig zijn oude schulden te saneren. Pas nadat de boeken gesaneerd zijn is de basis gelegd voor economisch herstel.

Zoveel geduld heeft de Amerikaanse politiek niet. Zowel de Congresleden als de president zijn op zoek naar de heilige graal van snelle, gratis groei. President Bush zal over twee weken in zijn jaarlijkse State of the Union-toespraak naar verwachting een pakket groeimaatregelen aankondigen door extra te bezuinigen op defensie (hetgeen overigens ook banen kost) en met het vrijkomende geld een eenmalig belastingvoordeel uit te delen. Ook hiervan is het de vraag of het iets helpt, maar het oogt dynamisch.

En dan zijn daar nog Japan en de snelle groeilanden van Oost-Azië. De huidige Japanse premier, Kiichi Miyazawa, was als minister van financiën eind jaren tachtig verantwoordelijk voor een beleid van lage rente, waardoor de Japanse financiële markten en de onroerend-goedmarkt tot speculatieve hoogten konden stijgen. Deze inflatie van financiële waarden werd vanaf begin 1990 doorgeprikt door een opeenstapeling van schandalen op de Japanse beurs en door een sterke renteverhoging, opgelegd door de Japanse centrale bank.

Door de koersval met veertig procent op de Japanse effectenbeurs is een einde gekomen aan de financiële machine, waarbij Japanse bedrijven tegen een verwaarloosbare rente nieuw geld konden lenen door obligaties te koppelen aan steeds maar stijgende beurskoersen. Ook in Japan is het nu een kostbare aangelegenheid om geld te lenen en de economie, de investeringen en de consumentenbestedingen reageren met een terugval. Deze is weliswaar niet zo krachtig als in de VS of sommige Europese landen, maar genoeg om de Japanners bezorgd te maken. In Tokio winnen de aanhangers van een stimuleringsbeleid steeds meer terrein en de recente renteverlaging was daarvan een duidelijk signaal.

En als het allemaal niet werkt, zoals economische deskundigen hopen? Als in Duitsland de inflatie niet afneemt onder druk van de historisch hoge rente en als in de VS de recessie niet verdwijnt nu de rente nauwelijks een half punt boven het inflatiecijfer ligt? Dan verkeert de internationale economie in een ernstige crisis, omdat er geen andere instrumenten voorhanden zijn om de economie te sturen. Aan het begin van de zomer zal het duidelijk zijn, wat dit schrikkeljaar voor verassingen in petto heeft.