Brunswijk als gids op Nederlandse wegen

ROTTERDAM, 15 JAN. “Ga, man. Die vrouw heeft zenuwen!”, moedigt Ronnie Brunswijk vanaf de achterbank zijn chauffeur aan. Op een kruispunt in Krommenie wordt de auto met de leider van het Surinaamse Junglecommando erin opgehouden door een weggebruikster die de bocht niet om durft. Eddy Dap, een van Brunswijks Nederlandse adviseurs en deze middag achter het stuur, geeft gas. Hij passeert de vrouw, die schichtig naar links en rechts tuurt. Ronnie Brunswijk schiet in de lach.

De Junglecommando-leider die vanaf 1986 een gewapende strijd voerde tegen het Nationaal Leger is, met Eddy Dap en de Surinaamse zakenman/politicus Paul Soemohardjo, onderweg naar een afspraak met de “moeder van het verzet”, Denise de Hart, die in Krommenie woont. Met haar wil het gezelschap praten over de taak die Brunswijk op zich heeft genomen sinds het vredesakkoord van Kourou dat hij in 1989 sloot met de regering: de ontwikkeling van het verwaarloosde en door de guerillastrijd verwoeste Surinaamse binnenland.

“Het gaat om de incorporatie van het Junglecommando in een ander lichaam”, formuleert Brunswijk, aangevuld door Dap, met wie hij Surinaams spreekt. Het "JS', zoals hij zijn guerillalegertje noemt, moet “in consensus en dialoog” een rol krijgen bij de wederopbouw van het uitgestrekte binnenland, dat volgens Dap nog zo'n 60.000 inwoners telt, veelal boslandcreolen en indianen.

“Er moet onder democratisch toezicht een apart gezagsorgaan komen, te vergelijken met een Nederlandse gemeente”, licht Dap toe. “Om de bureaucratische lijnen te verkorten, zodat het niet jaren duurt voor je op Langetabbetje een lichtmast kunt krijgen of een motor.” Voor zichzelf ziet Brunswijk na het staken van de strijd tegen het Nationaal Leger een plaats als “toezichthouder” op de ontwikkeling van het binnenland.

De autorit naar Krommenie begon gistermiddag in Rotterdam, na een anderhalf uur durend onderhoud met de plaatselijke vreemdelingendienst. Brunswijk, twee weken geleden in Nederland aangekomen voor gesprekken met zijn adviseurs en om zijn vrouw en kinderen te bezoeken die vorig jaar Suriname verlieten, heeft verlenging van zijn verblijf gekregen met nog eens twee weken, tot 28 januari. Hij heeft geen ambitie om in Nederland te blijven, zegt hij. “Een maand is genoeg, misschien ga ik wel eerder terug.”

De laatste tijd volgt de 29-jarige guerillaleider de ontwikkelingen in Suriname vanaf de zijlijn. Van de afspraken tussen Nederland en de regering-Venetiaan over het aanhalen van de banden tussen de landen kent hij “alleen de hoofdlijnen, via de radio”. Venetiaan geniet echter “honderd procent mijn steun”. “Het is een goede zaak als het leger kleiner wordt, natuurlijk. Er moet alleen wel ander werk komen voor die jongens.”

Ontspannen neemt hij de toestand in Suriname door, maar zodra de betrokkenheid van de legertop bij de drugshandel ter sprake komt veert hij op. “Ik wil niet over drugs praten! Ik heb Bouterse nooit ergens van beschuldigd. Daar weet ik niks van.” Voor een nieuwe coup van Bouterse vreest hij niet: “Die heeft nu geen Shankar meer tegenover zich, maar een Venetiaan - iemand met lef.”

Twee keer eerder was Brunswijk “officieel” in Nederland, in 1986 en 1990. De eerste keer was hij net begonnen aan zijn merkwaardige loopbaan als Surinaamse "Robin Hood'. Bouterse hekelde zijn vroegere lijfwacht als een ordinaire bankrover. Onder zijn eigen boscreolen groeide hij echter uit tot een volksheld, naar Nederland uitgeweken tegenstanders van het militaire regiem zagen in hem een breekijzer tegen de macht van de militairen.

Toen hij Nederland voor de tweede maal officieel bezocht was de situatie in Suriname al ingrijpend gewijzigd. Voor het eerst sinds de machtsgreep van 1980 was een democratische regering aangetreden en werd begonnen met het "vredesproces'. “We hebben een goeie bijdrage geleverd”, concludeert Brunswijk. “Er zijn toch verkiezingen gekomen? Dat was ook ons doel.” Ook al is het "JC' nu op de achtergrond geraakt, volgens Brunswijk is het commando nog even sterk als in de begindagen. Op hoeveel manschappen hij kan rekenen, is echter “militair-strategisch geheim”. Van het inleveren van de wapens zal pas sprake zijn “als de regering er klaar voor is”.

Moeiteloos gidst hij de auto voorovergeleund vanaf de achterbank langs afslagen en invoegstroken. “Ik ken hier alles. Rotterdam, Amsterdam - natuurlijk!” zegt Brunswijk, die ook wil weten of De Krant op Zondag nog bestaat. “Als ze het een jaar hebben volgehouden, lukt het verder wel”, meent hij.