Actievere diplomatie in ex-Sovjet-Unie

DEN HAAG, 15 JAN. “Om St. Petersburg konden we niet langer heen. Er liggen daar belangrijke kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven en dan kan je niet achterover leunen en zeggen dat je geen geld hebt om nieuwe diplomatieke posten te openen. Je moet wel reageren, ook al omdat andere landen uit West-Europa je voor zijn. Als straks blijkt dat het secretariaat van het Gemenebest in Minsk werkelijk handen en voeten krijgt, dan is het in het belang van Nederland ook daar vertegenwoordigd te zijn.”

De ambtenaar van Buitenlandse Zaken, betrokken bij de voorbereidingen voor een actiever Nederlands diplomatiek beleid in de voormalige Sovjet-Unie, is openhartig. “Ook als je weinig geld hebt dien je na te gaan waar de politieke en economische belangen van Nederland liggen. Om aardverschuivingen kan je niet heen.”

Hij geeft toe dat Oost-Europa in het verleden nooit een grote prioriteit op Buitenlandse Zaken heeft gehad. Vroeger werd een overplaatsing naar dat deel van de wereld, op Moskou na, al vlug als een strafmaatregel gezien. Expertise werd niet opgebouwd. In Den Haag was maar een kleine staf die zich met dat deel van de wereld bezighield. Een aantal Nederlandse ambassadeurs uit Oost- en West-Europa vroeg aan het eind van de jaren tachtig meer overleg over de vraagstukken die bij de liberalisering in het Oosten naar voren kwamen. Maar de Atlanticus Van den Broek verkoos andere prioriteiten, zo was hun klacht.

In de Tweede Kamer werd Van den Broek deze herfst bij herhaling aangevallen op zijn standpunt dat het openen van diplomatieke posten een kwestie van financiële middelen was. Naar de nieuwe staten in Oost Europa dient volgens een meerderheid van de Kamer nu een signaal uit te gaan: meer hulp en meer diplomatieke aandacht. Schoorvoetend geeft Buitenlandse Zaken daar gevolg aan.

Samenwerking met andere Europese landen op het gebied van diplomatieke vestigingen komt niet van de grond. Op Buitenlandse Zaken rekent men er niet op dat er EG-ambassades in andere staten van het Gemenebest zullen worden geopend. Sinds 1978 wordt binnen de EG gepraat over gezamenlijke posten, maar als het tot besluiten komt blijkt telkens dat de grote landen aan hun eigen belangen voorrang geven.

Ook met België verloopt de samenwerking moeizaam. Een gezamenlijk ambassadeproject met de Belgen in de nieuwe Nigeriaanse hoofdstad Abuja gaat niet door. “Bij gezamenlijke posten in het buitenland werk ik liever met Australië en Nieuw-Zeeland dan met onze directe buren. Je hebt daar altijd én met Walen én met Vlamingen te maken en daarom komt samenwerking in Benelux-verband ondanks alle mooie woorden niet van de grond”, aldus een beleidsmedewerker van Van den Broek.

Samenwerking met andere EG-landen lijkt hem ook moeizaam. “Als het er echt op aankomt dan zal een Britse vertegenwoordiger of een Franse of een Duitse ambassadeur in een van de nieuwe republieken toch de eigen belangen voor laten gaan, ook al zou hij belast zijn met de medevertegenwoordiging van Nederland. Dat is logisch. We zijn concurrenten. Het penetreren van nieuwe markten kan je niet door anderen laten opknappen. Daar moet je zelf bij zijn en daarom hebben we voor St. Petersburg gekozen en de Oekraïne. Verder weg in Azië zijn de Nederlandse belangen veel geringer.”

De Nederlandse defensie-attaché in Moskou blijft op zijn post. Op Defensie wil men nagaan of hij van daaruit ook militaire waarnemingen kan verrichten in de andere nieuwe republieken. Minister Ter Beek wil dat de contacten met het Gemenebest en de andere landen van Oost-Europa worden uitgebreid. Zelf bezoekt hij dit jaar Hongarije en Tsjechoslowakije. Hij wil hulp aanbieden bij opleidingen en herstructurering van de legers.

Bij het voorzichtig verleggen van diplomatieke prioriteiten wordt op Buitenlandse Zaken nagegaan of sommige ambassades in West-Europa kunnen volstaan met een kleinere staf. Minister Van den Broek is daar geen voorstander van, maar financiële beperkingen kunnen hem daartoe dwingen. Midden maart moet de notitie over de uitgaven buitenlands beleid afgerond zijn. De Kamer heeft gevraagd om meer inzicht in die uitgaven en om meer controle op de uitgaven. De tweehonderd miljoen gulden die Nederland nu voor hulp aan Oost-Europa inclusief de nieuwe republieken ter beschikking stelt, naast de EG bijdragen, acht zij beneden de maat.