Verwey op schijf Gezelliana 1991-2. Kroniek van ...

Verwey op schijf Gezelliana 1991-2. Kroniek van de Gezellestudie. Antwerpen. Tel. 09-323-2204289 Losse nrs. Bfr 400.

Edelen aller landen Hollands Maandblad 1991-12. Uitg. Veen, 45 blz. Prijs ƒ 9,25.

Insekten in het beest Raster 55. Tijdschrift in boekvorm. Driemaandelijks. Uitg. De Bezige Bij, 158 blz. Prijs ƒ 24,50.

Verwey op schijf

In juni vorig jaar had in Antwerpen het colloquium "Editiewetenschap en de briefwisseling van G. Gezelle' plaats. Gezelliana, het tweejaarlijks verschijnende blad van het Centrum voor Gezellestudie, drukt in het meest recente nummer de teksten af. De drie belangrijkste stukken gaan respectievelijk over de eisen die men aan brievenedities mag stellen, de noodzaak van een volledige brievenuitgave van Gezelle en de totstandkoming van een computereditie van de brieven van Albert Verwey.

Marita Mathijsen formuleert op zakelijke wijze wat er allemaal komt kijken bij het maken van een brievenuitgave. Ze weet waar ze het over heeft, want van haar verscheen een paar jaar geleden De brieven van De Schoolmeester. Het is even voor de handliggend als noodzakelijk dat de editeur zich afvraagt: wat is volledigheid, wat is een brief, wanneer mag je selecteren, etc.

Het "gemakkelijkst' is het voor samenstellers van een brievenuitgave om alles op te nemen. Bovendien is die samensteller natuurlijk een liefhebber, dus die wil dat ook. Het is daarom geen verrassing dat zowel P. Couttenier als Marijke Stapert-Eggen in hun bijdragen argumenteren voor volledige brievenuitgaven van respectievelijk Gezelle en Verwey. Hun projecten hebben beide een mammoetomvang. Gezelle ontving brieven van circa 1500 correspondenten en Verwey van plusminus 2000. Het aantal brieven dat de heren ontvingen is respectievelijk 10.000 en 20.000. Men kan zich dus een voorstelling maken van de arbeid die het kostte om de door Gezelle en Verwey gestuurde brieven aan al die correspondenten terug te halen. En dat is nog maar het begin!

In het geval van Stapert vertelt zij hoe ze voorbereidend werk, uitgesmeerd over jaren, heeft verricht - alleen en in samenwerking met anderen - om ooit te komen tot een computereditie van Verweys correspondentie, dat wil volgens Stapert zeggen: “ik wil de computer dus niet slechts gebruiken bij het maken van een editie in de traditionele vorm, maar ik wil dat de computereditie het boek zelf is.” En dat is iets nieuws. De mogelijkheden van een computereditie zijn ongekend en een dergelijke editie is bij uitstek geschikt voor een zo omvangrijke correspondentie als die van Verwey. Overigens is het met behulp van Desk Top Publishing niet moeilijk ook een papieren boek te maken, dus de methode biedt voor elk wat wils. In proefschriftvorm zal Marijke Stapert een experimenteel begin maken met de editie, waarna bij het welslagen de hele correspondentie ooit op schijf komt.

Gezelliana 1991-2. Kroniek van de Gezellestudie. Antwerpen. Tel. 09-323-2204289 Losse nrs. Bfr 400.

Edelen aller landen

Hoe moeten wij ons de toekomst van het Hollands Maandblad voorstellen? De lezers hebben recht dat te weten. Dat is de strekking van de boodschap onder het kopje "Hoe en wat' op pagina 3 van Maandblad 1991-12. Het stellen van de vraag en de volmondige erkenning van dit recht is zo ongeveer de volledige inhoud van de boodschap. Redacteur J.J. Peereboom: “De regeling ligt nog niet vast; er wordt met overleg aan gewerkt. (-) Volgend jaar willen wij een afspraak openbaar maken.”

Voorlopig volgt HM nog het oude spoor. Jan Fontijn publiceerde zijn lezing over een club van Westeuropeanen, onder wie Frederik van Eeden, die met hun ideeën een nieuwe richting moeten geven aan de mensheid. Van Eeden had voorshands de "edelen aller landen' in gedachten, "koninklijke mensen'. “Die koninklijke mens”, legt Fontijn uit, “is een combinatie van profeet, dichter en wijze en contrasteert uiteraard sterk met de kuddemens, de onvrije, door de groep bepaalde mens.” Na rondschrijvens komen er in juni 1914 in Potsdam acht prominenten samen: vijf Duitsers, een Zweed en twee Nederlanders (Van Eeden en Henri Borel). De acht vormen de Forte-Kreis. Maar met hoeveel idealisme er ook wordt gesproken en hoe hecht de onderlinge band ook is die bij het uiteengaan wordt gevoeld, de tegenstellingen als gevolg van het uitbreken van WO I maken een tweede ontmoeting al meteen onmogelijk. In dit stuk weet Fontijn de toenmalige verhoudingen boeiend weer te geven.

Karel van het Reve heeft reacties geschreven op de stukken in het Liber Amicorum dat hij kreeg toen hij zeventig werd. Maar alleen de antwoorden die voor zichzelf spreken zijn in dit nummer van HM gepubliceerd, de andere moeten wachten op een geannoteerde uitgave. In elk geval wordt nu Maarten 't Hart al uitgebreid behandeld omdat Van het Reve bij zijn stuk “veel streepjes” heeft gezet: de oude, milde professor brengt het meest streberische studentje wat omgangsvormen bij. Zoals altijd is Van het Reve de moeite van het lezen waard.

Karel Labey schrijft over Georg Trakl, de verweesde dichter. Het is een interessant stuk maar Labey laat zich af en toe iets te veel meeslepen door zijn onderwerp, getuige opmerkingen als: “Het heilige van Georg Trakl is een donkere heiligheid. De ogen van wijze uilen lichten af en toe op. (-) De duistere heiligheid, een smalle richel van genade.” Het verhaal van Paul van Capelleveen, "De laatste schrijver', is ronduit zwak. "Spiegeltje, spiegeltje' van J. J. Peereboom bestaat uit twee brieven, een lange en een korte, waarvan alleen de tweede wordt verzonden, hoewel de eerste het echte verhaal vertelt: stille genegenheid voor de vrouwelijke helft van een bevriend stel.

Voorts bevat het nummer nog een bijdrage van Peter Wesly en, opvallend genoeg, geen gedichten.

Hollands Maandblad 1991-12. Uitg. Veen, 45 blz. Prijs ƒ 9,25.

Insekten in het beest

De aardigste stukken in Raster 55 zijn het artikel van Charlotte Mutsaers over een bezoek aan Julio Cortázars vriendin Manja Offerhaus in Parijs, uit het Italiaans vertaalde fragmenten van Gianni Celati en iets van en over de Chinese dichter Bei Dao, door Maghiel van Crevel.

Het stuk van Mutsaers begint eigenlijk bij een artikel over cronopio's, dat niet in Raster staat maar vorig jaar maart in deze krant werd gepubliceerd. Het ging over het leven der cronopio's, waarover Cortázar had geschreven, en Mutsaers stelde vast dat cronopio's komkommers zijn. Ze had het bij het juiste eind, zo liet Manja Offerhaus vanuit Parijs weten. Het is aanleiding om in mei naar Parijs te gaan, op bezoek bij Offerhaus. Die geeft een stapeltje foto's van Cortázar en van Indianen in Peru mee, waar Cortázar een "reisverslag' bij heeft gemaakt. Een paar maanden daarna komt Offerhaus in Amsterdam langs en stelt Mutsaers haar een paar vragen. Foto's, verslag en interviewtje zijn afgedrukt.

Aan de reisaantekeningen van Celati gaat ook een interview vooraf. Het is afgenomen voor de RVU, vertaald en vervolgens weer bewerkt. “Het landschap is een groot beest en de mensen zijn kleine insekten in dat beest”, zegt Celati, die hiermee ook de schilderijen van Brueghel typeert. Celati is prettig om te lezen doordat hij in een terloopse stijl van het ene op het andere onderwerp kan overspringen, zonder dat het stoort.

Maghiel van Crevel ging in Kopenhagen op bezoek bij de grootste Chinese dichter van dit moment: Bei Dao. Hij vertaalde ook een aantal gedichten van Bei Dao. De associaties in zijn poëzie doen prettig aan en geven die een ondefinieerbare lichtheid.

J. F. Vogelaar heeft zich geworpen op stukken van Roger Caillois over stenen. Brigitte Weidmann heeft erover geschreven, E. M. Cioran heeft erover geschreven en nu staat het allemaal in Raster. En ik ben geen moment onder de indruk. Hetzelfde heb ik ook met de "Dialoog over de boom' van Paul Valéry. Interessant is wel de uitleg van Maarten Asscher naar aanleiding van de dialoog over de rol die de boom in het werk van Valéry speelt.

Verder in dit nummer poëzie en proza van Tranströmer, gedichten van Chris Honingh en van Michel Leiris.

Raster 55. Tijdschrift in boekvorm. Driemaandelijks. Uitg. De Bezige Bij, 158 blz. Prijs ƒ 24,50.