Mohammed Ali - een patiënt met de ziekte van Parkinson - 50 jaar; "The Greatest' negeerde advies te stoppen

ROTTERDAM, 14 JAN. De enige rol die hij kende en wilde blijven spelen was die van kampioen. Deze karakteristiek van Mohammed Ali werd in 1976 gegeven door zijn medische begeleider. Ferdie Pacheco verliet na vijftien jaar teleurgesteld het kamp van "The Champ', van "The Greatest'. Zijn waarschuwing "houd ermee op' was door Ali in de wind geslagen. De meest spraakmakende bokser uit de geschiedenis zou het pas na 1981 voor gezien houden. Vrijdag wordt hij vijftig jaar oud. Een patiënt die aan de ziekte van Parkinson lijdt, met verschijnselen die ook als "punch drunk' worden omschreven.

Ali heeft een landhuis in Berrien Springs in Michigan en woont daar met zijn vierde vrouw. “Werkend aan de verspreiding van de islam”, noemt hij zijn huidige activiteiten. Veel wordt hem niet meer gevraagd nu medelijden over zijn medische problemen de overhand heeft gekregen. In 21 jaar kwam de man die in Louisville werd geboren onder de naam Cassius Clay, voor 61 profgevechten in de ring en dat waren er teveel.

“Waarom wordt dat van een zwarte kampioen gezegd”, heeft hij zich afgevraagd toen hij zich nog strijdbaar toonde bij de aantijgingen. Tegenwoordig is hij minder fel. “God heeft me laten inzien dat ik een mens ben als ieder ander. Iemand die door de ziekte van Parkinson kon worden getroffen”. Acht jaar geleden sprak hij zich openlijk uit over de mogelijke gevolgen van het boksen op zijn gezondheid. “Datgene wat ik nu meemaak, was het waard als ik terugkijk op wat ik heb ondernomen. Een man die geen risico's durft te nemen, zal nooit iets in het leven bereiken”. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag noemde hij de eerste halve eeuw “slechts een voorbereiding op de volgende vijftig jaar. Ik zal de islam blijven uitdragen, ik blijf reizen, ik blijf mensen ontmoeten”.

De uitdrukking "punch drunk' werd voor het eerst duidelijk omschreven in 1928 door een Amerikaanse patholoog, Harrison Martland. “Zij wordt gekenmerkt door een eigenaardige houding, gekarakteriseerd door aarzelend praten, door het trillen van de handen en het knikkend bewegen van het hoofd. Bij hevige gevallen gaat het hoofd wat scheef staan, komt er een waggelende manier van lopen en dat zijn ook kenmerken van de ziekte van Parkinson”. Martland had geconstateerd dat veel oude profboksers tekenen vertonen van deze "punch drunk'. Mohammed Ali heeft alle verschijnselen.

Toen Pacheco hem in 1976 aanraadde te stoppen, werd hij geleid door de gedachte dat het niet goed was om “de meest getalenteerde, de vrolijkste jongen van de wereld uiteindelijk te zien rondstrompelen en in zichzelf te zien mompelen. Maar hij wilde in de schijnwerpers blijven, acteren als de kampioen”.

Ali was de snelste, de sterkste zwaargewicht. In 1960 Olympisch kampioen in Rome en op zijn achttiende prof. Driemaal veroverde hij het wereldkampioenschap. Hij was de bokser die miljoenen televisiekijkers over de gehele wereld van hun nachtrust beroofde wanneer hij optrad. Met de Ali-shuffle, snelle lichtvoetige pasjes waarbij hij van links voorstaand rechts voorstaand werd, dartelde hij superieur in de ring.

Mohammed Ali was in zijn gloriejaren ook een spitsvondig redenaar. Hij hekelde de Vietnam-oorlog en bespotte de enige brief die hij als wereldkampioen namens de president van de Verenigde Staten kreeg: om in militaire dienst te komen. Hij weigerde en dat veroorzaakte drie jaar uitsluiting tussen 1967 en 1970. Ali kwam op voor de burgerrechten en toonde zich een pleitbezorger voor de islam. Als Cassius Clay groeide hij op in Louisville. Hij woonde niet in een getto maar wel “in een gezin vol armoede”. Hij verwierp de naam Clay toen hem duidelijk werd dat slaven namen hadden gekregen die aan hun eigenaren werden ontleend. Met Clay was dat zo volgens hem. Het moslim-geloof bracht hem tot de naam Mohammed Ali.

In zijn boek "Ik ben de grootste' dat in 1976 verscheen, beschrijft Ali een voorval uit zijn amateurjaren toen hij bij een mogelijke sponsor mocht verschijnen. “Hé nikker, je hebt hier niks te zoeken”, werd hem toegevoegd toen hij het terrein van de weldoener betrad. De miljonair die zich in 1960 over hem wilde ontfermen, bood een tienjarig contract voor 75 dollar per week. Ali legde het bod terzijde, maar werkte wel enige tijd in de huisdienst van de sponsor. Hij verbrak de band omdat “een man die een tegenstander in een ring wil verslaan over trots moet beschikken en over het instinct van een tijger. Dus kon ik niet leven bij een man die manager van een tijger wilde zijn, maar hem thuis aan de ketting legde”. Ali noemde in het boek kampioenen “mensen die iets in zich hebben, een wens, een droom, een visioen. Zij moeten hun werk beheersen en een sterke wil hebben. De wil moet nog groter zijn dan de kwaliteit. Boksers zijn ontdekkers. Zij zijn op zoek naar iets waarvan anderen niets weten en daarmee verrassen ze. Boksers zijn en blijven alleen”.

Het waren woorden uit de tijd dat Mohammed Ali groot was en het verval nog niet ingetreden. Hij schond zijn grootheid door te lang actief te blijven. Liefde voor de strijd voerde hij aan als motief. Maar hij bracht er tegenstanders door in gewetensnood. Zoals Larry Holmes die hem in 1980 spaarde maar wel versloeg. Hij, een oud-sparring partner bezocht hem na afloop van de partij in zijn hotel. “Hoe gaat het, Champ”, vroeg Holmes toen. “Ik wilde je geen pijn doen”. Ali lachte wat en vroeg: “Waarom deed je het dan. Er was iets mis met me, of ik ben te oud of ik ben in korte tijd teveel afgevallen”. Holmes zei slechts: “Beide” en vroeg: “Beloof me één ding, boks niet meer”. Het advies werd in de wind geslagen, want in 1981 stond de toen 39-jarige legende ook nog in de ring tegen Mike Weaver. Traag, toen al een schim van de man die volgens velen de grootste was die de boksport ooit gehad heeft.