Merg

Het verging de slager van het dorp zoals het alle slagers van alle dorpen in die jaren verging: van meester werd hij knecht, van baas loopjongen van zijn oudste zoon, een loopjongen die niet meer doodde maar dronk. Niemand wist waar zijn drinken bij hoorde, bij zijn beroep of bij zijn verval en omdat beide oorzaken begrip afdwongen werd er over hem, in tegenstelling tot andere dronkelappen, geen kwaad gesproken. Integendeel, als hij met zijn mand vol doorgezaagde schenkels en varkensribben over straat zeilde, keek men hem meewarig na, en er was geen kind dat bang voor hem was. Behalve, misschien, de zijne.

Niet aan alle slachten kwam de slager te pas. Veel boerenzoons hadden de kunst links en rechts afgekeken en wisten goed met het mes om te gaan. Als de herfst aanbrak, als het vee al op stal stond en de balans van de oogst was opgemaakt, dan ging het slachtvirus van boerderij tot boerderij en zelfs tot aan burgerhuizen met een kalf of varken in de achtertuin. Niemand kon het tegenhouden, niemand kon het laten.

Ook wij waren besmet. Ook wij raakten een paar herfsten achtereen in een staat van koortsachtige opwinding. Want het vlees per kilo was duur; met ons varken zouden wij een hele winter bijna gratis vooruitkunnen. Uit hoofde van zijn beroep kende mijn vader de amateur-slachters, de jongens met lef en vlijmscherpe messen, de macho's van de boerenstand. Zij wisten waar ze het dier moesten treffen, van waar tot waar de eerste diepe snee moest gaan.

Het slachten-aan-huis was op het dorp met dezelfde geheimzinnigheid omgeven als het stoken van jenever of het jaarlijkse omkopen van de belastinginspecteurs. Het vond plaats als het donker was en het moest heel snel gaan. Alle vlees moest nog diezelfde avond uitgebeend en versneden worden. Dat deden de mannen. De vrouwen hadden de weckflessen 's middags al gespoeld en stookten het vuur op om het nog warme vlees onmiddellijk te braden. Afval was er niet, geen gram ging verloren. Van iedere vierkante centimeter varken kon een produkt gemalen worden dat soms niet eens een naam droeg en vaak niet te eten was. Maar het moest gegeten worden, vooral door kinderen, want het was goed tegen de kou, goed tegen allerhande kwalen, goed voor de ontwikkeling van de hersenen.

Ik herinner mij het grote stookfornuis met het bassin waarin de reuzel siste. Door het stookgat stopte mijn moeder met haar hardgeworden handen verscheurde dozen, houtblokken en oude fietsbanden. Ik hoor nog hoe het vuur brulde als de rubber smolt; de hel die ons wachtte kon niet erger zijn. Een keer brak er brand uit vanwege het fornuis. Het was zo heet geworden dat de kartonnen dozen die ernaast stonden als vanzelf vlamvatten. Ook de brandweer had in het dorp iets ongeregelds en kwam meestal te laat, maar bij onze binnenbrand waren wijzelf op tijd zodat de schade beperkt en het geheim bewaard bleef.

Als het vlees eenmaal in de luchtdicht afgesloten weckflessen zat, soms voor jaren, dan haalde de slacht-equipe opgelucht adem. Niemand had in de buurt zijn mond voorbijgepraat, alle sporen waren uitgewist. Groot was de voldoening, niet omdat er veel en zwaar werk was verzet, maar omdat wij - mijn vader voorop - sneller en slimmer waren geweest dan de wet.

Deze beelden van meer dan vijfendertig jaar geleden kwamen mij voor ogen toen vanochtend, tijdens het ontstaan van een gedicht, het woord "merg' zich aandiende in al zijn eenvoud en ogenschijnlijke eenduidigheid. "Het tromgeroffel van beneden / dringt door tot in mijn diepe slapen - / tot in het been, tot merg / ' schreef ik. Een fractie van een seconde later zag ik de oude slager met zijn mand vol schenkels eenzaam door de opengebroken dorpsstraat gaan.