Islam-scholen zijn vrijwel gelijk aan andere scholen

LEIDEN, 14 JAN. Het onderwijs op islamitische scholen blijkt nauwelijks af te wijken van dat op andere Nederlandse scholen. Aldus de conclusie van een onderzoek van de Leidse Universiteit dat volgende week wordt gepubliceerd in het maandblad "Samenwijs'.

Het lesmateriaal is, behalve voor de godsdienstlessen, hetzelfde. De vraag naar de kwaliteit van islamitische basisscholen kan beter worden omgedraaid: zijn deze scholen eigenlijk wel zo islamitisch? Het Nederlandse lesmateriaal wordt getoetst op verenigbaarheid met islamitische normen, in de meeste scholen zitten jongens en meisjes in aparte rijen in de klas, er worden hoofddoekjes gedragen en er zijn geen (gemengde) zwemlessen. Maar aangezien ruim 70 procent van de onderwijzers Nederlander zijn zonder islamitische achtergrond, “valt te betwijfelen of men een islamitische sfeer op school kan creëren”.

Het onderzoek maakt deel uit van een groter onderzoek naar moslims in Nederland en wordt uitgevoerd door dr. P.S. van Koningsveld van de vakgroep godsdienstgeschiedenis en vergelijkende godsdienstwetenschappen, en dr. W.A. Shadid van de vakgroep culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen. Uit het onderzoek blijkt volgens Van Koningsveld het ongelijk van het Tweede-Kamerlid J. Franssen (VVD). Franssen verklaarde zondag voor de IKON-radio dat de kwaliteit van het onderwijs op islamitische basisscholen te wensen overlaat.

Pag 3:

Discussie is overtrokken

Ook meent het Kamerlid Franssen dat het ontstaan van islamitische basisscholen in de hand wordt gewerkt door het falen van het "intercultureel onderwijs', waarmee men op de basisscholen onderling begrip wil kweken tussen de verschillende bevolkingsgroepen. De Leidse onderzoekers constateren daarentegen dat er geen verband is tussen falend intercultureel onderwijs en de stichting van islamitische basisscholen. De opkomst van islamitische basisscholen verklaren zij uit het verlangen van islamitische ouders naar "hun eigen onderwijs' dat “bijdraagt aan de cultureel-religieuze persoonlijkheidsvorming” van hun kinderen. Ook de “problematische kwaliteit van zwarte (gemengde) scholen” is een reden om eigen scholen te stichten.

Van Koningsveld en Shadid citeren verder met instemming een rapport van de onderwijsinspectie waarin staat dat islamitische basisscholen kunnen bijdragen aan een “hogere doorstroming” naar het voortgezet onderwijs. Turkse en Marokkaanse leerlingen zijn daar nu nog ondervertegenwoordigd. Jammer genoeg, aldus de inspectie, bestaan er vele vooroordelen tegen islamitische basisscholen.

Op de twintig islamitische scholen die sinds 1988 zijn gesticht zitten nu ruim tweeduizend leerlingen, respectievelijk 2,5 procent en 3,1 procent van de Turkse en Marokkaanse kinderen uit de betrokken leeftijdsgroep. Hieruit blijkt, volgens Van Koningsveld en Shadid dat de “verhitte discussies” over islamitische basisscholen een “sterk overtrokken beeld” van de realiteit geven.

Alle islamitische basisscholen blijken open te staan voor niet-islamitische kinderen, al wordt daar in de praktijk geen gebruik van gemaakt. Op de drie scholen die zijn gesticht door de Islamitische Stichting Nederland voor Onderwijs en Opvoeding (ISNO) kunnen volgens de statuten niet-islamitische kinderen vrijstelling krijgen van de godsdienstlessen.

Van Koningsveld en Shadid onderscheiden binnen de twintig islamitische basisscholen drie stromingen. De eerste is die van de (Turkse) ISNO, die ze als liberaal typeren. Op deze scholen is geen aparte gebedsruimte, wordt net als op andere basisscholen de woensdagmiddag vrijgegeven en niet op vrijdagmiddag zoals bij de andere islamitische scholen. Er zijn geen kledingvoorschriften. De tweede groep wordt gevormd door zeven voornamelijk op initiatief van orthodox-Turkse groeperingen gestichte scholen. De derde groep bestaat uit door orthodox-Marokkaanse groeperingen gestichte scholen. Volgens de onderzoekers zijn met name deze laatste tien scholen sterk op de islamitische gemeenschap gericht: de schoolbesturen bestaan uit praktizerende moslims, er zijn strenge kledingvoorschriften en de vrijdagmiddag is vrij voor de wekelijkse gebedsdienst.

Erg sterk staan deze streng orthodoxe scholen niet. De grootste groeiers zijn As-Siddiq in Amsterdam (470 leerlingen) en Al Ghazali in Rotterdam (253 leerlingen). Dit zijn juist de scholen waar, zoals Van Koningsveld zegt, “de etnische grenzen zijn doorbroken”: ze tellen ongeveer evenveel Turkse als Marokkaanse leerlingen, en daarnaast ook veel Surinaamse en Antilliaanse (moslim-)kinderen. Het godsdienstonderwijs wordt niet in de eigen taal maar in het Nederlands gegeven. Beide scholen zijn bezig hun eigen lesmateriaal voor het godsdienstonderwijs te ontwikkelen, zodat ze niet langer boeken uit de landen van herkomst hoeven te gebruiken. Gezien hun sterke groei vervullen alleen deze twee scholen “een soort pioniersfunctie”.

Ook om andere redenen menen de onderzoekers dat het met de groei van sterk orthodoxe basisscholen niet zo'n vaart zal lopen als Franssen vreest. Vanaf 1 augustus geldt in het basisonderwijs de nieuwe stichtingsnorm van tweehonderd leerlingen. Het gemiddeld aantal leerlingen op islamitische basisscholen bedraagt 100. Een eventuele "islamisering' van christelijke basisscholen in de grote steden waar een meerderheid van de kinderen moslim is, acht Van Koningsveld “mogelijk, maar niet erg waarschijnlijk”.

Volgens Van Koningsveld en Shadid kan de discussie beter gaan over de positie van moslim-kinderen in het gewone onderwijs, waar bijna 97 procent van de ouders hun kinderen naar toe stuurt, dan over de mogelijke opkomst van een islamitische zuil in het onderwijs. “Wij kunnen niet aan de indruk ontkomen”, schrijven ze, “dat politici over de hoofden van moslims in feite een discussie over de plaats van de verzuiling in de Nederlandse samenleving uitvechten”.