"Ik schaam me dood, meneer'

Uiterlijk nogal zelfverzekerd komt de heer R. Gildemeester die morgen de hal voor het zaaltje van de Utrechtse politierechter binnengedrenteld. Hij is gekleed in een pronte, blauwe regenjas en zijn glanzende coiffure demonstreert de zegeningen van föhn en eishampoo.

Nieuwsgierig monstert hij de somber voor zich uit kijkende wachtenden op de bankjes. Men zwijgt. De sfeer in de wachtkamer van een willekeurige oncoloog is carnavalesk vergeleken bij die in de schemerige hallen voor de rechtszalen. Hier wordt in stilte geleden en gebeden. Een mens praat liever over zijn kwalen dan over zijn zonden.

Tegen de tijd - een uurtje later - dat Gildemeester, nog steeds in regenjas, voor het hekje moet verschijnen, is er weinig meer over van zijn montere uitstraling. Wachttijden bij een rechter rijten alle wonden open. En je zit nog maar nauwelijks voor de rechter, of daar valt de bijl van de tenlastelegging door de officier. In dit geval zegt mr. J. Plooy: “Meneer had op 17 april 1991 als chauffeur 635 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Hetgeen veel te veel is.” Om precies te zijn: 415 microgram te veel.

“Klopt het, meneer?” vraag de rechter, mr. A. Scholten.

“Helemaal.”

“Dat is niet erg handig van u. Hoe is het zo misgegaan?”

Gildemeester begint aan een omslachtig verhaal waarin hij zal uitleggen hoe hij, uitgerekend hij, die sinds twee jaar niet meer drinkt, althans vrijwel geen druppel meer, die avond na een gespeelde voetbalwedstrijd in de kantine voor de verleiding bezweken was. Iemand had zijn autosleutels per ongeluk meegenomen, hij kon daar niet weg, en voor je het weet is het middernacht en heb je iets te veel achter de knopen.

“Hoeveel precies?” vraagt de rechter.

“Stuk of acht.”

“Tegen de politie heeft u gezegd: vier.”

“Nee, dat klopte niet. Maar ik was zó geschrokken...”

“Dat u dacht: ik begin maar laag. Zou ik ook gedaan hebben.”

“Ik had ook weinig gegeten, hè”, probeert Gildemeester, want die Scholten lijkt hem toch wel een geschikte rechter.

“Dat is allemaal geouwehoer”, valt Scholten echter uit. ”Dat maakt niets uit voor het promillage.” Hij houdt wel van een onverwachte, pittige tekst om de verdachte te prikkelen. Eerder die morgen zei hij onbewogen tegen een verdachte die nogal deftig klaagde dat hij in zijn testikels was geraakt: “Dus u kreeg een trap tegen uw zak?”

“U bent in 1990 ook al eens betrapt”, gaat de rechter verder. “Het is nog maar de vraag of dit incidenten zijn.”

Gildemeester begint nu aan Operatie Ootmoed, een klassieke strategie, gericht op de gevoelige snaar bij de rechter. “Ik schaam me dood, meneer. Ik ben afgegaan, érg afgegaan. Dit had me nooit mogen gebeuren. Ik drink normaliter niets meer, u kunt het navragen bij de club.”

“Wat voor baan heeft u?” vraagt de rechter.

“Marketmanager voor frisdranken.”

“Dan zou ik maar eens de omzet van die club vergroten”, zegt Scholten, niet de enige rechter in wie een ondeugende cabaretier schuilgaat.

Dan wordt de officier lastig. Hij wijst erop dat de verdachte na zijn misstap in 1990 een uitnodiging voor de alcohol-verkeercursus heeft genegeerd. “Het was niet zinvol voor mij”, zegt Gildemeester, “want ik had meteen besloten dat ik nooit meer zou drinken.”

Onverstandig van hem, want in justitiële kringen verwacht men wonderen van die voorlichtingscursus. Een rijder-onder-invloed moet daarom altijd tegen officier en rechter zeggen, dat hij gewèldig veel heeft opgestoken van de alcohol-verkeercursus en dat hij sindsdien zelden meer de aanvechting heeft gehad om zelfs maar één druppel Pleegzuster Bloedwijn te drinken. Als hij het overtuigend brengt, en niet te veel naar drank ruikt, heeft hij kans dat hij er met een voorwaardelijke rijontzegging vanaf komt.

De cruciale kwestie in dergelijke rechtszaken: kan de verdachte zijn werk blijven doen zonder auto? Nee, zegt Gildemeester, want hij moet door heel Nederland reizen. Sommige officieren en rechters houden daar ernstig rekening mee, anderen laten zich er niet door vermurwen. Officier Plooy wil niet de beroerdste zijn. Hij eist: een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor negen maanden, een onvoorwaardelijke weekeinde-ontzegging voor een half jaar en een geldboete van 1500 gulden.

“Begrijpt u het?” vraagt de rechter. “Zes maanden niet rijden in het weekeinde. Wat vindt u ervan?”

“Daar heb ik last mee”, zegt de verdachte. “Ik heb een moeder van 81 en een zus in Duitsland.”

“Ja, het leven zit soms moeilijk in elkaar”, zegt de rechter.

“Kunt u niet de voorwaardelijke straf langer maken?” vraagt Gildemeester. “Voor mijn part maakt u er vijf jaar van. Ik kom hier toch nooit meer terug.”“Waarom heeft u dat niet in 1990 gezegd?” vraagt de rechter.

“Ik heb door omstandigheden een radicaal foute beslissing genomen”, biecht Gildemeester wederom. “Ik drink nooit meer, heus waar, een enkel glaasje wijn op de verjaardag, u glimlacht, maar ik meen het.”

“Goed”, zucht de rechter, “dan sluit ik nu het onderzoek.”

De rechter piekert, één hand als een stut onder het hoofd. Hij kijkt in zijn papieren, maakt enkele aantekeningen. De vrouwelijke griffier en de officier slaan hem geduldig gade. Enkele minuten verstrijken. Dan kijkt de rechter de verdachte aan.

“Ik speel toch maar even voor mijn broeders hoeder”, zegt hij, “hoewel ik dat niet vaak doe, want iedereen moet de gevolgen van zijn eigen beslissingen dragen. U bent nog geen geheelonthouder, dus u moet eerst naar die alcohol-verkeercursus. Verder leg ik u een geldboete van 2700 gulden op, een hele hoop geld, maar het moet in deze rechtszaal nu eenmaal uit de lengte of uit de breedte. U krijgt voorts een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden. Maar als u die cursus niet binnen een half jaar volgt, bent u uw rijbewijs voor een jaar kwijt.”

Gildemeester maakt geen gebruik meer van het recht op het laatste woord. Ontspannen verlaat hij de zaal - een nieuwe, gretige leerling voor de alcohol-verkeercursus.

Om redenen van privacy zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd, of weggelaten, uitgezonderd de namen van de rechter, de officier van justitie en de advocaat.