Even je hersens gebruiken

Een verschijnsel waar ik in mijn maandelijkse taalartikel geen aandacht aan besteed, is het gebruik van het vrouwelijke persoonlijk voornaamwoord zij en het vrouwelijke bezittelijk voornaamwoord haar bij zelfstandige naamwoorden die niet vrouwelijk zijn. Bijvoorbeeld: “De raad kwam bijeen en zij besloot haar besluiten te herroepen.” Ik vind dit op z'n hoogst een sociologisch interessant verschijnsel.

Toch zit er ook iets onlogisch in dit gebruik. Niet wat de manlijke woorden betreft, want wie (behalve degenen die nog vóór de oorlog op school zijn geweest, en dan nog . . .) weet nu of, bijvoorbeeld, raad of tafel of stoel manlijk dan wel vrouwelijk is? Ze hebben alle het lidwoord de. Hun geslacht kennen is dus niet een kwestie van logica. Anders is dat met onzijdige woorden. Die hebben het lidwoord het en kùnnen dus, voor iedereen die bereid is even zijn hersens te gebruiken, niet de vrouwelijke voornaamwoorden zij en haar hebben.

Waarom bespreek ik deze kwestie vandaag? Omdat ik acht dagen geleden minister Van den Broek in een toespraakje, waarvan hij de tekst voorlas, hoorde spreken over Nederland en haar (het erop volgende zelfstandig naamwoord ben ik vergeten). Welnu, spreken we over bijvoorbeeld “de Nederland van vandaag”? Nee, we spreken over “het Nederland van vandaag”. Nederland kan dus overduidelijk geen vrouwelijk voornaamwoord hebben. Minister Van den Broek had even zijn hersens niet gebruikt. Dat is bedenkelijk, zeker bij een minister.

Even weinig interessant vind ik de hen/hun-kwestie. Ook daar komt weinig logica bij te pas. Bovendien is het verschil tussen hen en hun niet in het Nederlandse taaleigen verankerd, maar kunstmatig, naar analogie van het Latijn, ingevoerd. De Statenbijbel (1637), die taalscheppend was, heeft geen hun, maar hen in datief en accusatief (aldus dr. J. de Rooij in Onze Taal, september 1991), misschien is “hun hebben” wel echter Nederelands dan “ik geef hun een hand” . . .

Toch keek ik er even van op toen ik in een notariële akte las (en notarissen zijn bekend om hun vormelijk taalgebruik): “Verkopers verlenen geen vrijwaring voor hen onbekende verborgen gebreken.” Blijkbaar bevatten meer aktes die "fout', omdat er een standaardmodel is, waarin zij zit. Alle aktes bevatten haar dus, tenzij de individuele notaris haar verbetert.

Ook verbaasde het mij enigszins in het relatiegeschenk De dikke Van Dale, twaalfde druk te lezen: “Een lopende tekst bevat voor hen zóveel onzekerheden (. . .) dat het hen niet meer lukt (. . .) er een helemaal te schrijven of te lezen.” Maar ook dit is meer van sociologisch dan taalkundig belang.

In datzelfde boekje wordt overigens in deze zin een Tante Betje ontdekt: “Ik hoop dat mijn aanmerkingen U van dienst kunnen zijn en zal niet aarzelen in de toekomst andere onduidelijkheden te signaleren.” Ik zie hier geen Tantje Betje. Die zie ik eerder in deze zinnen die ik onlangs in onze krant las: “De voorzitter van de PvdA-fractie dwong premier Marijnen te verschijnen zonder dat deze de vragen van de oppositie kon beantwoorden en met de mond vol tanden stond.” En: “De verwarring van Presser (waarover deze zelf nooit heeft geschreven en er ook geen gewag van maakt) . . .”

Nog een eigenaardigheid die je niet in de desbetreffende tekst verwacht: in het Nationaal dictee stond deze zin: “Veel hedendaagse reizigers zijn behept met de onbedwingbare begeerte per se te willen weten wat hun reisgenoten lezen.” Begeerte maakt willen overbodig. Nu weet ik wel dat het Nationaal dictee zich met spelling bezighoudt en dat spelling en taal niet identiek zijn, maar toch.

Andere eigenaardigheden van de afgelopen zes weken: “De kleine minderheid van Nederlanders die de relativiteitstheorie wel begrijpt zullen prof. Saris erg dom vinden; de overgrote meerderheid die het werk van Einstein ook niet snapt voelen zich gesterkt.” Hier wordt wel erg gerommeld met de meer- en enkelvouden. Maar onlangs heb ik er zelf ook een potje van gemaakt: “. . . de voornamendevaluatie van tegenwoordig, die een vertrouwdheid suggereren die er meestal helemaal niet is.”

“De lopende bandmedewerker in de vleesverwerkende industrie wordt de 180 varkens per uur te veel.” Dat die medewerkers de varkens te veel wordt, kan ik me voorstellen, maar waarschijnlijk is het tegengestelde bedoeld. Wat is overigens een bandmedewerker, die loopt? Of loopt de band? In dat geval: lopende-bandmedewerker. (In hetzelfde artikel werd gesproken over een mère á boire, en het ging niet over borstvoeding.)

“Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband afvalverwijdering Zuid-Holland dringt er bij de leden op aan toch maar vooral op de ingeslagen weg door te kunnen gaan.” Kun je aandringen op een kunnen? Interessant zijn overigens die woordjes als toch, maar, vooral, die de wanhoop van iedere vertaler zijn.

“Wat niet wegneemt dat de reële emancipatie van de joden nog de nodige struikelblokken in de weg werd gelegd.” Werd die emancipatie in de weg gelegd? Of werden de struikelblokken in de weg gelegd?

“Aan het eind van 1854 bereikte de financiële nood een dieptepunt.” Of een hoogtepunt?

“Geen directe doodsoorzaken, maar ziekten zijn wel het laatste duwtje die een oud mens over de rand met de dood werken.” Ik zou zeggen: dat . . . werkt.

“Manon Thomas behoort tot een van de mooiste vrouwen van Nederland.” Wie behoort er nog meer tot die ene mooie vrouw?

“De hanen zijn de nek omgedraaid.” Zijn de hanen omgedraaid? Of is hun de nek omgedraaid?

“William Morris, wiens denkbeelden al midden jaren '80 in beperkte kring bekend waren, maar pas in de jaren '90, niet in het minst dank zij De Kroniek, grote populariteit verwierven.” Dus De Kroniek heeft niet in het minst aan die populariteit bijgedragen? Of is bedoeld: niet het minst?

Huizinga in een brief van 19 augustus 1942: “Hij zei terstond U bent wel een van de eersten die voor vrijlating in aanmerking komt.”