Behoud de Singelgrachtgordel

Honderdtwintig jaar hebben ze een Amsterdamse gracht gesierd, de sjieke woon- en koetshuizen van de gerenommeerde paardenhandelaars Willem Christiaan en Jan Gerrit van der Kuijlen op de Nicolaas Witsenkade. Nu staan de huizen tussen de Huidekoper- en de Pieter Pauwstraat er verwaarloosd bij. Morgen beslist de hiermee belaste raadscommissie over hun lot: restaureren, waardoor het historisch gave aanzicht van de Singelgracht op deze plek behouden blijft, of slopen voor nieuwbouw die weinig rekening houdt met z'n omgeving.

De huizen zijn een tastbare herinnering aan de tijd dat de vestinggordel rondom de stad andere bestemmingen kreeg. Ze werden gebouwd op een steenworp afstand van het Paleis voor Volksvlijt, het trotse, multifunctionele culturele centrum dat dr. Samuel Sarphati in 1864 realiseerde op deze voormalige schans (waar nu de Nederlandsche Bank staat). Langs de flanken van dit Amsterdamse equivalent van het Londense Chrystal Palace bouwde de architect, Cornelis Outshoorn, twee rijen luxehuizen, het Oost- en Westeinde. Even verderop hadden twee suikerraffinaderijen in 1846 een gasfabriek gebouwd, omdat ze goedkoper gas wilden produceren dan de bestaande Amsterdamsche Pijpgascompagnie. Tussen deze fabriek en de huizen van het Westeinde bleef een gerend stukje grond braak liggen, omdat niemand tegenover de gasfabriek wilde wonen.

Dit stukje nu kochten de paardenhandelaren in 1870 van Sarphati's bouwmaatschappij, toen twee van hun koetsiers in de nauwe binnenstad weer eens een paar lantarenpalen omvergereden en beschadigd hadden. Ze lieten er een stallencomplex op bouwen dat in Amsterdam z'n weerga niet kende. Voor een architect hoefden ze niet ver te zoeken. Een bekende veearts liet juist tegenover de gasfabriek door de Belgische bouwkundige Jean Servais een villa bouwen (Weteringschans 221, nu afgebroken). Deze ontwierp een stallencomplex voor meer dan 100 raspaarden, met koetshuizen op de vier hoeken en daarvóór aan de gracht een rij woon- en koetshuizen van de klasse van het Westeinde. Bewoners konden genieten van een weids panorama: langs de zaagmolens aan de Zaagmolensloot keken ze tot de horizon.

Bijna kwam Servais in aanvaring met de kersverse bouwverordening van 1869, die een aantal minimumeisen stelde aan woningbouw. Nu sliepen koetsiers al sinds de eerste stallen achter de grachtenhuizen verrezen op de zolders erboven, maar het bouwtoezicht keurde dat in 1870 niet meer goed. Ook een koetsierswoning moest een minimumoppervlakte hebben van 25 m², voorzien zijn van een privaat en ramen die open konden. Na enige aanpassingen in de bouwtekeningen werd aan de eisen voldaan, zodat een uniek complex ontstond met luxe burgerhuizen en eenvoudige koetsiers- en palfrenierswoningen broederlijk naast elkaar. De zes panden aan de kade vormen een hechte eenheid, waarbij de twee monumentale hoekpanden, vanwege de koetshuizen op de begane grond hoger opgetrokken dan de middelste huizen, het complex een paleisachtige structuur geven.

De eerste bouwplannen waren zelfs nog ambitieuzer: de Van der Kuijlens probeerden dan ook een hoog bedrag te bedingen voor hun oude stallencomplex in de Reguliersdwarsstraat, dat de gemeente wilde verbouwen tot openbare armenschool met gymnastieklokaal en onderwijzerswoning. Ze kregen daarvoor echter niet de gevraagde ƒ 60.000 maar slechts ƒ 23.000, zodat de huizen aan de Nicolaas Witsenkade minder luxueus werden uitgevoerd dan Servais oorspronkelijk getekend had. Toch hebben ze, ondanks het later verdwijnen van het tympaan, meer allure dan het voor de gemeentelijke monumentenlijst voorgedragen complex Plantage Muidergracht 87-93, dat Servais in dezelfde tijd bouwde.

De luxestalhouderij voorzag op deze plaats in een grote behoefte. Welgestelde lieden in de nieuwe burgerrijtjesbouw konden er hun koetsen stallen of er een huren. De stadsrand met Buitensingel was een geliefd rij-wandelgebied. Van hier was het een prettige tocht naar het Vondelpark, dat in 1865 aan de zuidkant van de stad werd aangelegd.

Meer dan honderd jaar stonden de huizen onbedreigd aan de gracht, terwijl de stedebouwkundige situatie rondom voortdurend veranderde. Het uitzicht over het polderland verdween toen in 1883 de Zaagmolensloot gedempt werd tot Albert Cuypstraat en de overkant van de gracht bebouwd werd. Enkele jaren later werd de gasfabriek afgebroken, en werden er in het gebied woningen gebouwd alsof er een bestemmingsplan avant-la-lettre aan ten grondslag lag. Hier werden de Den Tex- en de Nicolaas Witsenstraat aangelegd en in samenhang met de doorgetrokken kade bebouwd in de zo typische, uitbundig gedetailleerde stijl van die periode, met enkele architectonische hoogtepunten. Zoals het juweeltje van laat 19de-eeuwse bouwkunst dat Eduard Cuypers op de andere hoek van de Pieter Pauwstraat ontwierp voor een joodse koopman, een Venetiaans aandoend paleisje, dat er nog praktisch ongeschonden bijstaat. Vijf jaar later reed de eerste auto door de stad en toen was het snel afgelopen met de paarden. De koetshuizen werden winkels en opslagruimten, de stallen garage en later kwam er een drukkerij. Jarenlang drukten de persen tussen de sierlijke zuiltjes van Servais er na de oorlog de Margriet.

Tot in 1968 een projectontwikkelaar er een kantoorkolos van zes verdiepingen wilde neerzetten met een parkeergarage eronder. Dat kon slechts gedeeltelijk worden voorkomen. Het Singelgrachtgebied, waar in de vorige eeuw zo'n gevarieerd scala van (rand)stedelijke bebouwing ontstond, is daarvoor vanwege zijn gunstige ligging helaas zeer geschikt. Maar deze zone tussen de oude en de nieuwe stad is even karakteristiek als de binnenstad, een essentieel onderdeel van het beschermde stadsgezicht Amsterdam, tot de vaststelling waarvan de gemeente onlangs besloten heeft.

In de afgelopen jaren konden de Oranje Nassaukazerne aan de oostkant en de vroege sociale woningbouw in de Marnixstraat aan de westkant van de Singelgracht voor sloop worden behoed. Buurtbewoners, monumentenorganisaties (zoals het Cuypersgenootschap, dat zich inzet voor het behoud van 19de- en vroeg 20ste-eeuws cultuurgoed) en raadsleden proberen nu ook dit stukje Singelgrachtgordel intact te laten - moeite die morgen wordt beloond of gefnuikt.