Arabieren reageren zeer voorzichtig

NICOSIA, 14 JAN. Arabische regeringen, over het algemeen zelf ook geconfronteerd met groeiend moslim-fundamentalisme, hebben voorzichtig gereageerd op de ontwikkelingen in Algerije van de afgelopen dagen. Iran daarentegen verzekerde dat het Algerijnse volk niet lang zal dulden dat moslim-fundamentalisten van de macht worden geweerd.

“Het is duidelijk dat de bevolking van een land met zo'n opmerkelijk anti-koloniaal verleden nooit zal accepteren dat haar land door middel van geweld wordt geleid”, aldus de Iraanse eerste vice-president en regeringswoordvoerder Hassan Habibi. De Iraanse media, officieel en inofficieel, hebben krachtig stelling genomen voor Algerijes fundamentalisch Front van Islamitische Redding (FIS), dat door de annulering van de tweede verkiezingsronde een zeker lijkende absolute meerderheid in het parlement en daarmee de regeringsmacht is ontgaan.

De Tehran Times, die wordt beschouwd als spreekbuis van president Rafsanjani, schreef dat Parijs en Washington de ontwikkelingen in Algerije hebben uitgelokt die het land “op de rand van een burgeroorlog hebben gebracht”. Alle media signaleren trouwens een “vantevoren gesmeed komplot” om het FIS de macht te onthouden. Het aftreden van president Chadli Benjedid, dat de gebeurtenissen inluidde, wordt door de krant Jomhuri Islami gebrandmerkt als “een onverantwoordelijke en anarchistische daad”.

De pers in Marokko bericht zonder commentaar over de ontwikkelingen in het buurland. De regering bewaart het stilzwijgen. In Tunesië, waar de fundamentalistische beweging met vaste hand wordt onderdrukt, heeft de regering laten weten de gebeurtenissen “met grote belangstelling te volgen”.

De semi-officiële Egyptische krant Al-Akhbar schrijft dat “het enorm betreurenswaardig is een militair regime of een door het leger ondersteunde dictatuur in Algerije te zien terwijl de hele wereld voor democratie en de rechten van de mens is”. Maar de krant laat tevens weten dat “de meerderheid van het Algerijnse volk weliswaar voor een verandering was, maar, uiteindelijk, niet wenste dat islamitische extremisten aan de macht kwamen”. De Egyptische autoriteiten voeren zelf hard campagne tegen dergelijke groepen.

In Jordanië, waar verkiezingen een aanzienlijke fundamentalistische minderheid in het parlement hebben gebracht, zei minister van informatie Mahmoud Sharif dat “wij hopen dat Algerije zijn problemen kan oplossen zonder negatieve repercussies voor de eenheid van de bevolking”. Een fundamentalistisch parlementslid, Abdul-Rahim Akour, noemde de annulering van de verkiezingen “verbijsterend, met name op een tijdstip waarop de Arabische wereld naar politiek pluralisme en democratie beweegt”. “Het weerspiegelt het feit dat de Arabische wereld nog steeds wordt geleid door militaire dictaturen”, zei hij. “Wij vrezen een bloedige confrontatie tussen het leger en het Algerijnse volk.”

Sari Nasser, een Jordaanse politieke wetenschapper, meende dat “Algerije niet klaar is voor democratie. Ik denk dat hetzelfde geldt voor de hele Arabische wereld”.

In de Arabische Golfstaten zwegen de regeringen. De media daar legden de nadruk op de mogelijkheid van bloedvergieten in wat waarnemers zien als een poging het gevaar van het fundamentalisme aan het publiek duidelijk te maken.

Het officiële Syrische persbureau SANA citeerde een ex-leider van het FIS, sjeik Merani, die de houding van de huidige leiding van de partij als “oneerlijk en onverantwoordelijk” brandmerkte. De islam is een religie en geen partij, aldus sjeik Merani, die daarmee het denken van de Syrische regering verwoordde. (Reuter, AP, AFP)