Activiste bindt strijd aan met hogeschool; Geding over extra bijdrage studenten aan schoolkosten

ROTTERDAM, 14 JAN. Hoever mag een hogeschool gaan bij het vragen van extra geld aan studenten? Mag je als student alleen een typemachine gebruiken als je de kosten van het onderhoud betaalt? En mag je alleen een kop koffie kopen als je elk jaar een bijdrage betaalt voor de kantine? Het zijn maar enkele vragen die spelen in een kort geding dat morgen dient tussen de vierdejaars studente P.J. van Manen (24) en de Christelijke Hogeschool Rijn-Delfland in Den Haag.

Twee jaar geleden besliste de president van de Haagse rechtbank al in het voordeel van de hogeschool. Hij vond dat kopiëren, telefoneren, koffie-drinken en het volgen van de introductieweek "extra' activiteiten zijn, die het verblijf van de student aan de hogeschool wel aangenamer maken maar voor het onderwijs niet noodzakelijk zijn. De hogeschool mocht er dus extra geld voor vragen. De "vrijwillige' bijdrage varieert aan hogescholen overigens sterk, van vijftig tot ruim duizend gulden per jaar.

De uitspraak van de Haagse rechter was een van de vele die de afgelopen jaren zijn gedaan in de strijd om de extra bijdrage. Tot de invoering van de Wet op het hoger beroepsonderwijs in 1986 waren hogescholen behoorlijk vrij bij het heffen van het collegegeld. Daarna werden zij gebonden aan het wettelijk vastgestelde bedrag. Maar bovenal werd in de wet, die onder meer beoogde de rechtspositie van de studenten te regelen, vastgelegd dat de student toegang tot het onderwijs heeft als hij zijn collegegeld heeft betaald. Veel hogescholen hadden moeite met het nieuwe regime: het kostte de studentenbonden de nodige inspanning en oud-minister Deetman enkele dreigende brieven en een onderzoek door de inspectie om ze er enigermate aan te laten wennen.

“Er zullen geen hogescholen meer zijn die een student weigeren in te schrijven omdat hij geen extra bijdrage betaalt. Maar ook al gaat het om een vrijwillige bijdrage, dan nog kan de hogeschool deze zo presenteren dat de student wel heel sterk in zijn schoenen moet staan om hem niet te betalen”, zegt Van Manen. Zij haalt als voorbeeld haar eigen situatie aan, bij het begin van het studiejaar 1989-1990. De eigen bijdrage aan de Hogeschool Rijn-Delfland was dat jaar voor het eerst, mede dankzij haar inspanningen, "vrijwillig', maar de student die niet wilde betalen moest dat wel in een aparte brief aan het bestuur meedelen. “Je gaat toch niet ergens studeren om meteen een brief te schrijven dat je iets niet wilt betalen en bovendien geen gebruik zult maken van voorzieningen die voor andere studenten wel beschikbaar zijn?”

Menig kort geding over de extra bijdrage is bij de eerste uitspraak gestopt, in veel gevallen doordat de eisende studenten door de rechter in het gelijk werden gesteld. De afwijzing van haar eis was voor Van Manen geen reden om het er bij te laten zitten. “Ook al is de Hogeschool Rijn-Delfland inmiddels aan mijn eisen tegemoet gekomen.” Voor degenen die haar hebben leren kennen als actievoerder en een ware “eenmansvakbond” is dat geen verrassing. “Er zijn nog steeds hogescholen waar de extra bijdrage niet goed is geregeld”, zegt ze. “Bovendien is dit proces zo'n beetje uitgegroeid tot een proefproces en als ik daarmee stop dupeer ik veel studenten.”

De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) moedigde haar aan beroep aan te tekenen en heeft zich garant gesteld voor de kosten. “Daar is het jammer genoeg in de afgelopen twee jaar bij gebleven. Ik heb al die tijd geen enkel telefoontje van de LSVb gehad waaruit enige belangstelling voor de gang van zaken bleek.”

Dat ze zaken vrijwel alleen moet regelen, soms geholpen door enkele vriendinnen of medestudenten, is ze wel gewend. Dat begon al toen de Zoetermeerse in 1988 de overstap maakte van het middelbaar naar het hoger beroepsonderwijs. Met haar MBO-diploma jeugdwerk kreeg zij voor dezelfde studierichting aan de hogeschool vrijwel geen vrijstellingen. “In de propaedeuse verveelde ik mij vaak enorm. Sommige vakken waren precies hetzelfde als ik al gehad had, van verdieping was in dat eerste jaar maar zelden sprake.”

Zij ging op onderzoek uit hoe dat aan andere hogescholen was geregeld. “Dat wisselde enorm. Aan de ene hogeschool kreeg je met een MBO-diploma een jaar vrijstelling, aan een ander een paar maanden en aan een derde niets.” Het onderzoek resulteerde in een brochure waarin studenten in het middelbaar beroepsonderwijs worden genformeerd over wat hen aan de hogescholen te wachten staat. Maar een onderzoek naar het rendement van de opleiding mislukte doordat de hogescholen weigerden mee te werken.

Afgelopen zomer stelde Van Manen een informatiegids voor MBO'ers samen over verdere mogelijkheden in het onderwijs en bedrijfsleven. Die gids, waarvan ze er zo'n vijfhonderd gratis verspreidde en vervolgens nog eens paar honderd verkocht, betaalde ze uit advertenties die ze zelf wierf. “Dat heb ik in de vakantiemaanden gedaan. Het was wel veel werk, maar het was verder toch rustig met mijn studie”.

Met die studie gaat het volgens haar goed. In september wisselde zij van hogeschool (“Mijn kort geding deed de door mijn acties toch al gespannen verhoudingen geen goed, zeker niet toen ik ook nog eens in beroep ging. Ik had geen zin om in die sfeer nog enkele jaren te studeren”), in 1989 begon zij aan de Leidse Universiteit met een studie orthopedagogiek, een jaar later ging zij er ook nog eens onderwijskunde studeren. “Je moet het allemaal wel goed plannen, maar dan lukt het wel. Slechts een enkele keer kom je voor vervelende verrassingen, zoals vorig week toen ik op hetzelfde tijdstip twee colleges had. Dan moet je kiezen. Maar voor mijn inschrijvingstijd om is heb ik zeker twee van de drie studies afgerond.”