Aan de kant

Vorige zomer veroorzaakten kabinetsvoorstellen ter beperking van het beroep op de WAO diepe verdeeldheid in de PvdA-gelederen. De partijtop kon de onrust voorlopig bezweren door de achterban een speciaal congres over de toekomst van de verzorgingsstaat in het vooruitzicht te stellen. De afgelopen maanden schreef de commissie-Wolfson in opdracht van het partijbestuur een rapport, dat als leidraad voor het interne debat zal dienen. Vandaag verscheen dit rapport, onder de titel Niemand aan de kant. Afgaande op wat er al van de inhoud is uitgelekt, presenteert de commissie oude koek en draait zij helaas om de hete brij heen.

De analyse deugt. Onze verzorgingsstaat is de komende jaren alleen in afgeslankte vorm houdbaar, bij een breder draagvlak in de vorm van meer werkgelegenheid en een hogere produktie. Werkgevers zullen meer mensen in dienst nemen, wanneer hun loonkosten dalen. De netto lonen van werknemers hoeven daarbij niet omlaag, mits op het bruto loon minder sociale premies en loonbelasting worden ingehouden. Vooral een geringer beroep op de sociale zekerheid maakt het mogelijk om de "wig' tussen loonkosten en netto loon te verkleinen.

Om het beoogde sneeuwbalproces te starten extra banen, lagere premies en loonkosten, nog meer banen, enzovoort is een krachtige impuls onmisbaar. Ten onrechte zoekt de commissie-Wolfson de lastenverlichting niet in extra bezuinigingen. Integendeel, het proces van extra banengroei moet worden opgestart met tijdelijke loonkostensubsidies. Dit leidt tot hogere belastingen of een groter tekort, met alle schadelijke economische gevolgen van dien. Vermoedelijk is dit de reden dat de financiering van de loonkostensubsidies nogal in het vage blijft. Of zou men onverhoopt op "inverdieneffecten' rekenen? Bovendien leert de ervaring van de jaren tachtig dat werkgevers hoog opzien tegen de administratieve rompslomp die samenhangt met het aanvragen van loonkostensubsidies. Deze centrale aanbeveling uit het rapport werkt niet.

Een bezuiniging van acht miljard gulden zou haalbaar zijn door snel een "basisstelsel' van sociale zekerheid in te voeren, waarbij de overheid uitsluitend uitkeringen op het minimumniveau garandeert. Voor een hogere uitkering moet men zich dan particulier bijverzekeren. Dit stelsel bestaat al voor zelfstandigen en bij het ouderdomspensioen van werknemers. De commissie-Wolfson wijst zo'n stelsel voor zieke en werkloze werknemers echter af.

Om het aantal in-actieven terug te dringen moeten uitkeringsinstanties slagvaardiger gaan werken. Werkschuwe lieden moeten harder worden aangepakt. Deze op zichzelf zinvolle aanbevelingen zetten onvoldoende zoden aan de dijk van de verzorgingsstaat, die dreigt te bezwijken onder de vloedgolf van de vergrijzing en nieuwe uitgavenclaims.

Door de suggestie dat verdergaande ingrepen in de verzorgingsstaat overbodig zijn, wanneer overheid, werkgevers en werknemers maar een effectief werkgelegenheidsbeleid op poten zetten, strooit de commissie-Wolfson de sociaal-democraten zand in de ogen.

Het bewijs voor de stelling staat in een artikel over de vooruitzichten voor de collectieve sector dat Oxley en Martin zojuist publiceerden in de OECD Economic Studies. Zij laten zien dat de overheidstekorten in bijna alle industrielanden eerst in de tweede helft van de jaren tachtig wat zijn gereduceerd. Het gat tussen uitgaven en ontvangsten is vooral verkleind door de belastingen te verhogen, en veel minder door op de uitgaven te bezuinigen. Zeven jaren van aanhoudende economische bloei vergemakkelijkten de sanering van de overheidsfinancien.

Veel industrielanden hebben de afgelopen jaren geprobeerd om de uitgaven van overheid en sociale verzekeringen te beteugelen. In de meeste OECD-landen is daartoe de groei van het ambtenarenapparaat afgeremd en bleven de salarissen van het overheidspersoneel achter bij de trend in de marktsector. Uitkeringen en subsidies zijn verlaagd, op investeringen is beknibbeld (behalve in Spanje). Tevens verstrekte de overheid minder leningen. Al deze maatregelen zijn ook in Nederland beproefd, en dat niet zonder succes. De collectieve uitgaven zijn gedaald van 73 procent (in 1983) tot 64 procent van het netto nationaal inkomen (1991).

Oxley en Martin wijzen er echter op dat regeringen het in de jaren tachtig relatief gemakkelijk hadden, doordat het aantal kinderen en bejaarden daalde in verhouding tot de potentiele beroepsbevolking. Gedurende de afgelopen twee decennia zakte dit afhankelijkheidspercentage in ons land met negen en zeven punten. In de jaren negentig zal het daarentegen weer iets oplopen, door de aanhoudende vergrijzing en doordat het aantal geboorten niet langer daalt. Door stijgende uitgaven voor AOW, gezondheidszorg en onderwijs komt het peil van de collectieve uitgaven onder sterke opwaartse druk te staan. Wanneer politici daarvoor bezwijken, neemt de wig onherroepelijk toe, ondanks alle bezweringsformules in het rapport-Wolfson.

Voortgaande bezuinigingen op de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel bieden geen soelaas. Integendeel, vermoedelijk zal er sprake zijn van een inhaalbeweging om in de jaren tachtig opgelopen salarisachterstanden goed te maken. Tevens zullen de pensioenpremies in de jaren tachtig een gemakkelijke prooi weer wat omhoog moeten. Voorts zijn hogere uitgaven nodig om achterstanden in te halen bij investeringen in de infrastructuur. Het milieubeleid zal eveneens extra middelen vergen.

De commissie-Wolfson had deze problemen systematisch in kaart moeten brengen, en vervolgens een duidelijke keuze moeten maken welke uitgaven prioriteit verdienen. In plaats daarvan vlucht zij voor de budgettaire werkelijkheid. Belastingverhoging, om pijnlijke bezuinigingen te vermijden, is een doodlopende weg. Daardoor neemt de wig juist toe, wat banen kost.

Alle politieke partijen staan voor de immense uitdaging aan te geven hoe zij de collectieve sector de komende jaren flexibeler zullen maken en welke bestaande voorzieningen onhoudbaar zijn geworden. De jaren negentig vormen immers slechts een overgangsperiode naar de volgende eeuw, waarin landen orde op zaken moeten stellen, voordat na 2000 de vergrijzing de collectieve uitgaven geweldig zal opstuwen. Op deze uitdaging blijft het rapport van de commissie-Wolfson het antwoord helaas schuldig. Niemand aan de kant kan daarom beter zo snel mogelijk terzijde worden gelegd.