WINNARES ZONDER ZELFVERTROUWEN

Ze straalde nog lang na afloop van het Nederlandse kampioenschap marathonschaatsen in Alkmaar, waar ze verrassend de titel behaalde. Kitty Snel genoot van het succes waarmee ze in één klap uit de anonimiteit trad, al loopt voor haar sport nog altijd slechts een kleine, weliswaar fanatieke schare liefhebbers warm. Maar toch: “Dit is het mooiste dat ik tot nu toe heb bereikt.”

De 25-jarige Kitty Snel besloot zich zo'n vijf jaar geleden op de marathon te richten, nadat duidelijk werd dat in het langebaanschaatsen voor haar geen successen zouden zijn weggelegd. Na acht seizoenen van wisselende prestaties had Snel geen moeite met die overstap. “Voor mijn gevoel had ik ook geen andere keus, het was schaatsen of stoppen met schaatsen. Alleen de afstand veranderde”, kijkt de Nederlandse kampioene terug op die beslissing.

Dat het keerpunt in haar carrière er zaterdag toe leidde dat ze met paard en arreslee een eretocht op het kunstijs van ijsbaan De Meent aflegde, kwam echter in haar stoutste dromen nog niet voor. In het peloton met favorieten als Harriët Berkhoff, Boukje Keulen, Manuela Ossendrijver en Alida Pasveer (de Nederlandse kampioen van vorig jaar op het kunstijs van Eindhoven en het natuurijs van Ankeveen) dichtte ze zichzelf vooraf een bescheiden eindklassering toe. Snel: “Je denkt wel eens aan een groot succes, je droomt erover. Maar toen ik hier naar toe kwam en al die meiden zag, dacht ik: doe maar gewoon je best want een echte kans heb je toch niet.”

Twintig ronden voor het eind ontsnapte Snel samen met Sonja Groot en Simone van der Heide. Het initiatief kwam niet van haar (“omdat ik daar het lef niet voor heb”), maar omdat ze sprong mee omdat ze zich sterk voelde. Zoiets zou ze enkele jaren geleden niet hebben gedurfd. In haar eerste marathons beperkte ze zich tot het meerijden met de rest, van wie ze tenslotte nog moest leren. En ook nu is Snel allesbehalve zelfverzekerd: “Ik had zelfs tijdens de laatste ronde nog constant visioenen dat de anderen me voorbij zouden rijden.”

Het is illustratief voor de terughoudende opstelling van Snel, die ooit eens één competitiewedstrijd won maar het vooral gezellig vindt om deel te kunnen uitmaken van het marathoncircus. Daardoor houdt ze het vol, de wekelijkse rondjes in de trieste ambiance van vrijwel lege ijsbaantribunes. “Door al je vrienden in het schaatswereldje houd je het uit. Elke wedstrijd is weer leuk. Dan zie je al die bekenden weer en is de kleedkamer net een kippenhok: een hoop herrie en gegiebel.” Elke vorm van stress gaat dan voorbij aan Snel. “Superzenuwachtig” was ze vroeger bij het langebaanschaatsen, waar een verkeerde start het begin van het einde betekende. “Maar nu kan ik tenminste lekker op mijn gemak vertrekken.” De spanning hoopt zich slechts bij de laatste ronden op, zoals ze zaterdag ondervond. “Je verwacht elk moment dat er achter je iets wordt ondernomen, dat ze gaan rijden. Toen dat niet gebeurde kreeg ik even een heel vreemd gevoel.”

Nauwelijks spanning, weinig sensatie en deelneemsters die zich daar nog lekker bij voelen ook. Er lijkt de schaatssters weinig aan gelegen het imago van hun sport op te krikken, om zich te ontdoen van het gangbare idee dat marathonschaatsen bij de vrouwen nog altijd als opwarmertje fungeert voor de (ook al) kwijnende tak bij de mannen, waarbij René Ruitenberg zaterdag nationaal kampioen werd. “Daar praten we ook nauwelijks over, al denk ik dat bijna alle schaatssters wel vinden dat we worden ondergewaardeerd en veel te weinig publiciteit krijgen. Over de wedstrijden bij de mannen vind je in de kranten nog wel eens een verslagje terug. Wij staan 's maandags in de uitslagenlijsten, en dan nog alleen als je bij de eerste vijf bent geëindigd.”

Snel ziet op korte termijn geen mogelijkheden in die situatie verbetering te brengen. Zeker nu het marathonschaatsen bij de mannen, na overenthousiaste reacties in de beginjaren, steeds minder belangstellenden trekt. Daar tracht men te redden wat er te redden valt door naar puur amusement neigende evenementen te organiseren. Eind december vond in het Thialf-stadion in Heerenveen de première plaats van de marathon-driedaagse. Daarin werd goedkoop spektakel geboden maar bleven de toeschouwers massaal weg, de publieksvriendelijke toegangsprijzen ten spijt. En uitgerekend bij de Nederlandse kampioenschappen in Alkmaar maakte het verzekeringsbedrijf Aegon, tevens hoofdsponsor van de schaatsbond, bekend dat men na het lopende seizoen “uit budgettaire overwegingen” stopt met het ondersteunen van een marathonploeg. Eerder al trad het bedrijf terug als naamgever aan de wedstrijden om de KNSB-Cup, de competitie bij het marathonschaatsen.

Een van de oorzaken van de tanende interesse voor de marathon zou volgens Snel wel eens het ploegenspel kunnen zijn dat de mannen inmiddels tot kunst hebben verheven. Bij de vrouwen, waar alleen de Vast Banket-ploeg bestaat, wordt meer individueel gereden. Al bestaat er wel zoiets als een onzichtbaar ploegenspel: De Friezinnen tegen de schaatssters uit Haarlem, die van Utrecht tegen rijdsters uit de provincie. “Maar verder is het tijdens de race gewoon kijken wie er durft te demarreren. En dan ga je er achter aan. Er wordt echt wel gereden”, vertelt Snel.

Bovendien bewijzen de vrouwen dat ze het duurwerk gemakkelijk aankunnen. In Alkmaar kregen zij vijftig ronden voorgeschoteld, maar er is een tijd geweest dat slechts de helft moest worden afgelegd en dat een wedstrijd het predikaat "marathon' nauwelijks verdiende. Volgens Snel is er echter geen enkele belemmering vrouwen grotere afstanden te laten rijden. “We zijn sterker dan gedacht wordt maar er is niemand die dat kan constateren omdat we voor lege tribunes rijden. Negentig procent van de sportvrouwen heeft met onderwaardering te maken”, constateert ze wrang.

Toch vraagt Snel zich zelden af waar ze mee bezig is. De twee uur die ze dagelijks traint in de omgeving van haar woonplaats Rockanje ziet Snel nog altijd als een aangename tijdsbesteding. Driemaal per week gaat ze naar De Uithof in Den Haag, eenmaal per week fietst ze en de rest bestaat uit looptraining op het strand. “Mijn man traint bijna altijd mee, dat scheelt natuurlijk.” Omdat ze daarnaast drie dagen werkzaam is als dokterassistente bij een huisarts in Oostvoorne, blijft er weinig tijd over voor een normaal privéleven. Maar dat offert ze graag tijdelijk op voor de dingen die haar nu door de nationale titel overkomen.

Het gevoel dat alle inspanningen niet voor niets zijn geweest, had ze in 1988 ook toen ze de alternatieve Elfstedentocht in Finland (200 kilometer) voltooide. Alleen vorig jaar rezen er even twijfels. “Omdat het toen absoluut niet liep. Ik trainde me suf maar was tijdens wedstrijden vaak al blij dat ik de rest bij kon houden. Dan dacht ik vaak: ik stop ermee. Maar tot zo'n definitieve beslissing ga je niet gauw over, die grens ligt verder weg dan je denkt.”