W.F. Hermans mocht bij Van Dis zijn gal weer spuwen

Willem Frederik Hermans had vorig jaar Adriaan van Dis in het Belgische blad Knack een "goede man' genoemd en daaraan toegevoegd: “Ik denk dat ik volgend jaar weer eens een gesprek met hem doe.” Die uitspraak tekende de wijze waarop de schrijver gisteravond zijn gesprekspartner tegemoet trad: Van Dis mocht vragen wat hij wilde, Hermans hield de touwtjes strak in handen.

Interviews worden door Hermans steevast benut om zijn gal te spuwen over het vaderland, en dan vooral over schrijvend, vertalend en docerend Nederland. Ook gisteravond voerde de schrijver weer een nummer op, waarin veel oud repertoire werd afgewisseld met een paar nieuwe trucs. Het verhaal over Harry Mulisch die ontroostbaar was vanwege het feit dat zijn omvangrijke oeuvre, in tegenstelling tot dat van Hermans, zelfs niet het dunste roofdrukje ten deel was gevallen, behoorde tot de laatste categorie.

Maar Van Dis' veronderstelling dat Hermans graag mensen pest, werd door de auteur met kracht ontkend: hij wees slechts mensen met een gebrekkige stijl op hun tekortkomingen. Sterker nog, Hermans heeft nooit ruzie gezocht, hij is altijd mild geweest. Slechts zijn romanfiguren heeft hij in het ongeluk gestort, opdat de lezer dacht: gelukkig is mij dat niet overkomen. “U bent dus eigenlijk een trooster”, concludeerde Van Dis. “Daar heeft u echt het kernwoord van mijn roeping”, was het antwoord.

En voort ging het kleineren van Nederland: als hij hier woonde, dan zou hij op straat worden nageroepen; de Nederlandse taal werd verknoeid; de vertalingen van Nederlands werk naar een andere taal waren doorgaans abominabel en de jury-leden van de Nijhoff-vertalersprijs kenden niet eens een andere taal dan de Nederlandse.

Hermans vergeleek zijn geobsedeerdheid door Nederland met de wijze waarop men zich tot zijn ouders verhoudt: “Je kan ook niet zeggen dat je niks met je natuurlijke ouders te maken wilt hebben. Je hoeft alleen niet al hun fouten te accepteren.” Volgde een verhandeling over de verhouding tot zijn vader (“Ik kwam niet in opstand tegen mijn vader, hij kwam voortdurend in opstand tegen mij.”), een van de weinige directe autobiografische ontboezemingen in het gesprek. De auteur houdt immers niet van dat genre, in geschreven noch in gesproken woord. Het feit dat juist die paar persoonlijke verhalen in zijn werk hogelijk worden gewaardeerd, weet Hermans aan behoudzucht: “Mensen dragen liever afgedragen schoenen.” Vandaar dat juist de autobiografische roman in Nederland zo wordt gewaardeerd, smaalde hij.

Tussen neus en lippen door werd nog even afgerekend met een paar reputaties, deze keer die van Shakespeare (“Gebaseerd op een samenzwering van een aantal geleerden”) en Mozart (“Z'n nachtmuziek was klein, maar z'n dagmuziek was niet veel groter”). Het relaas over de hetze die tegen Hermans' positie aan de Groningse universiteit zou zijn gevoerd, bleef voor vele kijkers waarschijnlijk volstrekt ondoorgrondelijk. Een klein opstapje voor degenen die "Onder professoren' niet kennen en niet geabonneerd zijn op de W.F. Hermans-verzamelkrant was hier wel op zijn plaats geweest. Wie was toch "die schurk' De Koning, moeten zij hebben gedacht, en "die andere lul' Tamsma?