Scoop

George Bush is "flauwgevallen'. Volgens de Japanner die ik heb gesproken is er in de geschiedenis slechts één geval bekend van een flauwgevallen Japanner. Dat was een Japanse reiziger, die enkele eeuwen geleden door Europa trok en instortte toen hij onze haring had gegeten.

Oriëntalen zien in dergelijke incidenten een noodlottige symboliek. Ter aarde zeeg niet alleen het lijf van George Bush, maar ook dat van de totale Amerikaanse auto-industrie.

Mijn Japanse informant, die in Hollywood een sushi-tent runt op de hoek van Sunset Boulevard en La Brea, gaf me een bandje mee dat iemand tijdens de bijeenkomst van de Amerikaanse en Japanse autofabrikanten stiekem had laten meelopen. Dat gesprek beheerst de Amerikaanse media. Vele honderdduizenden banen en tientallen miljarden dollars staan op het spel. Ik geef van die bijeenkomst, exclusief voor deze krant, het slot weer. Ik heb dus een scoop. Het betreft een gedachtenwisseling tussen de twee leiders.

De Amerikaan (een hoge, opgewonden stem): “Het is hartstikke oneerlijk! Jullie importeren zomaar jullie auto's bij ons en wij mogen geen auto's bij jullie importeren!”

De Japanner (beheerst en beleefd): “U mag alles. Maar heeft u hier op straat goed rondgekeken?”

“Denk je soms dat ik blind ben?”, vraagt de Amerikaan bits.

“Wilt u dat ik daar een eerlijk antwoord op geef? Wat heeft u gezien?”

“Allemaal Japanse auto's! Geen Amerikaanse. En dat is fout!”

“Waar zit het stuur?”

“Wat doet dat ertoe? Géén Amerikaanse! Dat doet ertoe!”

“Beste Lee”, zegt de Japanner, “wij rijden aan de linkerkant van de weg. En u exporteert al jaren uitsluitend auto's waarvan voor ons het stuur aan de verkeerde kant zit! Natuurlijk kopen wij die niet!”

“Dàt is een smerige importdrempel die jullie opwerpen voor ons!”, roept de Amerikaan woedend. “Onze vaklui kunnen alleen sturen aan de linkerkant maken! Wij eisen dat jullie net als de rest van de wereld aan onze kant gaan rijden!”

“En de Britten dan?”

“Die maken alleen nog maar jullie rotauto's!”

“Wij maken de allerbeste auto's die er zijn”, stelt de Japanner vast. (Geruis op de band. Hij schijnt door een tijdschrift te bladeren.) “Net een paar weken geleden kwam jullie bekendste autoblad met een lijst van de tien beste auto's. Negen uit Japan en één uit Duitsland. Hier! Wij begrijpen het niet? Wat een gotspe!”

“Die journalisten begrijpen er evenmin iets van!”, roept de Amerikaan kwaad.

“Wie dan wel?”, wil de Japanner weten.

“Ik. Kijk. Wij maken auto's die ten hoogste vier jaar meegaan. Dan vallen die krengen uit mekaar. Jullie denken dat jullie het zo goed voor mekaar hebben, nou, over een tijdje heeft echt iedereen in de hele wereld zo'n verdomde Honda of Nissan Turbo, en waar laten jullie dan je onverslijtbare ellende? Nou?”

“Ze zijn niet onverslijtbaar. Maar ze gaan minstens tien jaar mee.”

“Big deal”, spot de Amerikaan, “ik vind dat wij dat een stuk slimmer doen.”

“De mensen willen geen auto's die maar vier jaar meegaan, Lee.”

“Dat is die smerige hersenspoeling van jullie met al die commercials en advertenties! Vroeger was iedereen in Amerika tevreden met een auto die er al na twee jaar mee ophield! En dan haalde je een nieuwe!”

“Ik heb een oplossing”, zegt de Japanner.

(Doodse stilte op de band. Een van de aanwezigen laat een boertje.)

De Japanner vervolgt: “De Verenigde Staten zijn een democratie. Dus: we laten het Amerikaanse volk beslissen!”

(Gevloek van de Amerikaan. Mother-zus-en-zo.)

“Denk je dat je ons te slim af bent soms? Daar komt niks van in! Als het aan de Amerikanen ligt dan rijdt ook Bush in een Toyota! Weet je wat hiervan komt, spleetoog?”

“Nou, Lee?”

“Hier komt oorlog van. Als jullie niet ophouden met het maken van die verdomde goeie rotauto's, dan denk ik dat het weer oorlog wordt. En dan zijn daarna de verhoudingen weer duidelijk!”

(Een soort gehinnik. Vermoedelijk lacht de Japanner.)

“Als ik jou was zou ik over dat laatste nog es goed nadenken, Lee.”