Richard Wagner

Kunstroof en cultuurvervalsing zijn van meet af aan een wezenlijk bestanddeel van de nazi-ideologie geweest. En ook in dit opzicht helaas van vèrstrekkende betekenis. Wagner veroorzaakt meer dan honderd jaar na zijn dood nog steeds commotie. Het publiekelijk uitvoeren van zijn werk in Israel stuit op onoverkomelijke emotionele weerstanden. De brief van Lody van de Kamp (NRC Handelsblad, 3 januari) maakt dat heel duidelijk.

De commotie gaat niet over de waarde van Wagners muziek. Niemand zal diens betekenis voor de Europese muziek willen bestrijden. Bij leven en welzijn had hij zich met zindelijke en onzindelijke argumenten in de discussie gemengd.

In zijn muzikale nalatenschap toont Wagner ons een geheel andere kant van zijn persoonlijkheid, en alleen daarmee verdient hij zijn historische plaats. Voor het beheren van de culturele erfenis is alleen het artistieke gehalte van een oeuvre van belang en de invloed die dat heeft (gehad). De persoonlijke levenswandel, het aanhangen van abjecte doctrines, het publiceren van verwerpelijke schotschriften, politieke agitatie en alles wat onze sympathie voor de persoon onmogelijk maakt, houde men buiten de waardering van het werk - en nog meer alle verwijzingen daarnaar om redenen van propaganda. Geen wonder dat de bruine horden dat laatste systematisch aanwendden, want kunstroof en cultuurvervalsing waren vast onderdeel van hun programma.

Wat haalt een verbod uit? Wagner wordt er niet anders van. Wel wordt het werk van niet zomaar een componist in het openbaar buiten zicht gehouden. Dat niet alleen. Door de koppeling van persoon en artistieke nalatenschap echoot de oude propaganda met onverminderde kracht voort. Ik kan me niet voorstellen dat dàt de bedoeling is.