Reis Bush markeert einde vrijhandelsideaal

Het was een maskerade voor het Japanse No-theater. Twee in eigen land verzwakte politieke leiders, de Amerikaanse president Bush en de Japanse premier Miyazawa, presenteerden vorige week in Tokio protectie als vrijhandel. Miyazawa deed voor het openen van zijn markt enkele "toezeggingen', die - zo werd aan de Japanse pers gezegd - weinig betekenis hadden. Bush en zijn delegatieleden onderhandelden over hoeveelheden auto's en auto-onderdelen die Japan zou moeten afnemen. Volgens Bush was het een "overwinning' voor het openen van de markten van Japan.

Bush is het spel van protectie in naam van vrijhandel gewend. Een "programma voor liberalisatie van de handel in staal' bestond bijvoorbeeld uit importquota voor staal. Het is een van de vele voorbeelden van protectie onder president Bush en zijn voorganger Ronald Reagan. In de Kaboeki-vertoning over handel in Tokio was er - onder grote binnenlandse druk - ook grote persoonlijke presidentiële betrokkenheid. De onderhandelingen over injectiesystemen en reisbusjes krijgen zo de betekenis die vroeger wapenbeheersingsbesprekingen hadden. Het toont een nieuwe wereld waar niet de aantallen kernkoppen, maar te exporteren Mazda's, Fords, remschijven en computers tellen.

In deze recessie wordt de Amerikaanse relatie met Japan bijna even nauwkeurig in de gaten gehouden als de relatie met de Sovjet-Unie vroeger. Vorig jaar, toen de Sovjet-Unie nog bestond, werd bij een peiling van de Chicago Council on Foreign Relations de economische macht van Japan als de belangrijkste dreiging van de Amerikaanse belangen gezien, ver boven de toenmalige Sovjet-Unie.

De Tokio-top toonde Amerika de economische grenzen van militaire "overspanning' en Japan de politieke grenzen van economische "overspanning'. Het markeert het definitieve einde van het oude liberale ideaal van de wereld als een grote, open markt. Het is een ideaal dat, hoewel niet-verwezenlijkt, ontwikkelde landen tot de jaren tachtig grote groei heeft gebracht. De twee grootste economieën hebben in Tokio een nieuwe richting aangegeven: wereldhandel wordt het eindresultaat van politieke besprekingen tussen verscheidene blokken van landen die onderling wel vrij handelen. Het overblijven van grote vrijhandelsblokken maakt het neo-protectionisme onvergelijkbaar met dat van de crisisjaren dertig. Geconfronteerd met de sterke protectionistische beweging in haar belangrijkste exportmarkt Amerika werkt Japan nu aan de creatie van een eigen blok aan de Westzijde van de Stille Oceaan. Voor blijvende toegang tot die markt heeft Japan Amerika nog nodig, als beschermer en als machtige verzoener.

Japan is een uitdaging van het vrijhandelsmodel. De overweldigende Japanse industriële macht betekent dat vrijhandel zeker niet de enige economische succesformule is, voor Japan niet en voor het Westen niet. Japan heeft zijn economische succes te danken aan staatsinmenging, dumpen en protectie. Het is een mercantilistische macht bij uitstek. Japanse bedrijven zijn gewend om markten door middel van dumpprijzen te veroveren. Ook in eigen land is het veroveren van marktaandeel door prijsverlaging een belangrijk kenmerk van de concurrentiestrijd. Langs deze weg heeft het hele industrietakken uit andere landen weggevaagd. Zelfs Philips is onder druk van de harde Japanse concurrentie een patiënt geworden. De Europese auto-industrie heeft de klappen voorlopig door protectie afgeweerd.

Niet alleen protectie en lage prijzen maar ook hoge kwaliteit van de telkens nieuwe modellen computers, auto's en audio-apparatuur hebben Japan grote voorsprong gegeven. Onverzoenlijke concurrentie op de Japanse binnenlandse markt heeft voorkomen dat de van het buitenland afgeschermde producenten met het maken van Trabants genoegen namen. Dus kopen de mensen graag Toyota's, Sony CD's en JVC-video-apparaten. Toch kan geen land het zich politiek en menselijk veroorloven om belangrijke industrietakken, die hoge inkomens genereren, onder druk van buitenlandse concurrentie te laten verdwijnen. Zelfs de patroon van de vrije-markt-ideologie, Amerika, niet.

Bush stelde de situatie bij zijn reis door Azië verkeerd voor. Japan heeft geen verantwoordelijkheid voor de huidige Amerikaanse recessie. Het probleem is niet dat sommige Amerikaanse industrieën te weinig naar Japan exporteren, maar dat ze uit hun eigen binnenlandse markt worden gedrukt.

De filosofie achter het vrijhandelsideaal is dat de werklozen uit de getroffen industrie meteen in dienst worden genomen bij een nieuw bedrijf, dat beter bij de landsaard en plaatselijke omstandigheden past. Geen overheid hoeft iets te doen. De onzichtbare hand zal wel voor iets beters zorgen. In werkelijkheid blijft er op de plaats van de getrokken kies meestal een gat achter, soms voor eeuwig. In Amerika, waar ruimte in overvloed is, nemen ze niet eens de moeite om zo'n failliete fabriek af te breken maar laten ze het gebouw uit zichzelf instorten, als triest monument van een verloren beschaving.

Vroeger was de ondergang van een fabriek meestal de prijs voor de economische vooruitgang. Maar in Amerika komt er tegenwoordig vaak slechter betaald werk voor de verloren baan in de plaats. De voormalige werknemers in autofabrieken verdienen allemaal minder. De grote banenmachine van de jaren tachtig, de veelgeroemde dienstensector, staat in Amerika weer op instorten. Overal, behalve in de gezondheidszorg, moeten dienstverleners vertrekken. De Nieuwe Wereld van weleer doet oud en vermoeid aan.

Het axioma van vrijhandel is dat bij een volledige open economie iedereen doet waar hij het beste in is. Zo blijft alles goedkoop. Het is de leer van het vergelijkende voordeel. De Beierse discipline en werklust zorgt voor snelle, onverwoestbare BMW's, de geestgronden brengen bloembollen voort. Een nieuwe generatie top-economen trekt dat axioma van het vergelijkende voordeel in twijfel. Een bekroonde econoom van het Massachusetts Institute of Technology, Paul Krugman, concludeert ook uit rekenmodellen dat vaak niet het vergelijkende voordeel maar toeval de vestiging van bepaalde nijverheid bepaalt. De Japanners - en ook bijvoorbeeld de bouwers van de Europese Airbus - hoefden Krugman niet te lezen. Zij wisten al dat het toeval een handje kan worden geholpen.

Het akkoord van Tokio bevat een belangrijke bepaling die voor Amerika nieuw maar voor de EG al vanzelfsprekend is. Het gaat over de nationale herkomst van onderdelen bij de assemblage van een auto. De Japanse fabrieken in Amerika maken veel gebruik van Japanse onderdelen. Zoveel, dat Amerika er volgens een rapport van Clyde Prestowitz qua werkgelegenheid op achteruitgaat. In het Tokio-akkoord zeggen Japanse auto-producenten toe om het aandeel Amerikaanse onderdelen tot 70 procent te verhogen. Toch wilden de Japanse fabrikanten zich niet zomaar laten verplichten tot het kopen van in hun ogen onvolwaardige onderdelen. Dus worden Amerikaanse fabrikanten van onderdelen door Japanse instructeurs opgeleid. Bovendien gaan ze - volgens de Japanse methode - meedoen met het ontwerpen van nieuwe modellen, waar het onderdeel dan precies in moet passen: in house design. Het is een schitterend alternatief voor pure vrijhandel, als het wordt uitgevoerd. De lokale werkgelegenheid blijft gespaard. Door overdracht van technologie wordt de Amerikaanse onderdelenproducent een beter concurrent.

Voorstellen van Amerikaanse politici en auto-producenten om de grenzen dicht te gooien voor Japanse produkten zijn onuitvoerbaar. Japan en Amerika zijn economisch niet meer uit elkaar te trekken. De integratie is al te ver voortgeschreden. Chryslertopman Lee Iacocca, die zou vinden dat Japanse auto's niet meer mogen worden toegelaten, vult zijn Dodges en Chryslers met Mitsubishi-motoren. Amerikaanse computerproducenten kunnen het zonder Japanse chips en hoge-resolutie-beeldschermen vergeten.

Zoals elke succesvolle mercantilistische macht beseft Japan dat het opnemingsvermogen van buitenlandse markten grenzen heeft. Er worden meer fabrieken elders gebouwd om de plaatselijke werkgelegenheid niet te bedreigen. Het ministerie voor internationale handel en industrie (MITI) doet aan importbevordering. Maar veel Amerikanen voelden de Tokio-reis van Bush als een vernedering. Ze vonden dat hij als nederige smekeling bij de economische grootmacht kwam. Hoe on-Amerikaans!

Foto: "De Japanse autofabrieken in de Verenigde Staten maken veel gebruik van Japanse onderdelen' (Foto NRC Handelsblad/Vincent Mentzel).