Open gordijnen

De vraag van Anton van Hooff, waarom Nederlanders hun gordijnen 's avonds openhouden (NRC Handelsblad, 28 december) wordt beantwoord in Thorstein Veblens The Theory of the Leisure Class van 1899, hier geciteerd uit de Nederlandse vertaling, De theorie van de nietsdoende klasse (Arbeiderspers 1974).

In het kort komt Veblens theorie hierop neer. Moeten werken voor de kost is vernederend. Daarom doet iedereen zijn best om de indruk te wekken dat hij dat niet hoeft. De twee middelen om op de buitenwereld de juiste indruk te vestigen zijn: demonstratief nietsdoen en demonstratieve consumptie. Fatsoen is de verplichting tot het tonen van financiële draagkracht.

“De moderne industriële organisatie () plaatst individuen en huishoudingen naast elkaar tussen wie anderszins geen contact bestaat. De buren zijn sociaal gezien vaak geen buren of zelfs kennissen: en toch is het zeer nuttig om op hen een gunstige indruk te maken. Deze ongewenste waarnemers slaan iemands dagelijkse leven gade en het enige bruikbare middel om hen te imponeren is een stug volgehouden demonstratie van financiële mogelijkheden. () Om deze toevallige toeschouwers ontzag in te boezemen en om onder hun blikken het zelfvertrouwen te kunnen bewaren, moet men zijn financiële potentie verkondigen met tekenen die ook tot de haastige voorbijganger doordringen.”

Hier wordt dus territoir verdedigd tegen de buitenwereld. Die gordijnen blijven open voor inspectie, want zonder die inspectie is het territoir zonder status. De inspecteur is altijd de vijand, die ons binnen demonstratief mag zien consumeren. En de open gordijnen zelf zijn sinds Den Uyls woorden van 1973 ons duidelijkste blijk van status geworden: we hebben geld zat voor het verspillen van energie.

Maar waarom deden de Nederlanders vroeger hun gordijnen 's avonds wel dicht, en nu niet meer? Het antwoord op die vraag staat in de Kroniek De prijs der verzuiling van Marc Chavannes (28-12). Tot in de jaren vijftig waren we allemaal lid van een van de zuilen. Ook in de grotere plaatsen was men deel van een kleine gemeenschap, en de sociale controle vond afdoende binnen die zuilen plaats. Open gordijnen waren niet nodig voor inspectie in de verzuilde samenleving. De ontzuiling en de opkomst van de nieuwbouwwijken hadden gelijktijdig plaats. Vandaar dat daar de gordijnen het eerst openbleven (J.H. van den Berg, Leven in meervoud, Nijkerk 1963, 278; zijn democratische verklaring is onjuist).

En waarom houden Nederlanders dan hun gordijnen open, terwijl omringende naties ze blijven sluiten? Nederlanders houden zich immers keurig aan Veblens wet? Waarom zij niet? We moeten dus niet onze eigen gewoonten onderzoeken, maar die van die malle anderen. Die zijn bovendien met veel meer, en dus is er meer gelegenheid voor ons om met dat onderzoek demonstratief niets te doen.