In het dal van de geloofsafval

Velen hebben het elkaar nagezegd: de PvdA is gevangen in een proces van ontzuiling. Slechts weinigen hebben zich afgevraagd wat daaronder precies moet worden verstaan. Losjes wordt ontzuiling meestal in verband gebracht met grote sociologische processen als individualisering. Marcel van Dam bracht die opvatting als één van de eersten onder woorden in een Vrij Nederland-artikel "De aanslag van de cultuur op de sociaal-democratie'. Zo bezien wordt de PvdA langzaam vanaf haar randen opgevreten, wat goed is te zien aan de desertie van de kiezers.

Dat is ongetwijfeld waar, maar er is meer onder de zon. Uit de vergelijking met het verval van de katholieke zuil kan men ook iets anders leren. In een bekend boek uit 1971, De wankele zuil heeft de Nijmeegse socioloog Thurlings dit beeld van een geleidelijke erosie aangevuld.

Zijn stelling luidt: het verval is in het centrum begonnen. De elite van theologen en priesters verloor zijn geloofszekerheden en dat is een beslissende factor geweest. Hij ziet een bevestiging van deze uitwaseming van de kern naar de rand in het gegeven dat het aantal roepingen sneller daalt dan de zondagskerkgang die weer vlotter afneemt dan de deelname aan de zuilorganisaties.

De redenering van Thurlings loopt, kort samengevat, als volgt. Het stabiele evenwicht tussen de zuilen maakt voor de katholieke elite een grotere openheid naar de buitenwereld mogelijk, die tegelijk een verlies aan identiteit oproept. "De openheid leidt bij de voorhoede, en later ook bij de achterhoede, tot een zekere voorkeur voor ontzuiling. De identiteitscrisis leidt eveneens, en in dezelfde volgorde, bij beide tot randkerkelijkheid en eventueel onkerksheid', aldus Thurlings eenentwintig jaar geleden.

Ziedaar in een notedop de geschiedenis van de PvdA sinds 1977! Ook al beschouwt Thurlings de PvdA eerder als een "pseudo-zuil', toch kan ook in dit geval worden gezegd dat niet de kiezers of de leden als eerste het geloof in de sociaal-democratie hebben opgegeven, maar dat de geloofsafval bij de voorhoede van de partij is begonnen.

Wellicht kan men in de twijfel aan de maakbaarheid van de samenleving het eerste teken van de neergang zien. Het eigene van de sociaal-democratie lag toch in een soort ingenieurshouding, die een bovenmatig vertrouwen in planmatig handelen met zich meebracht. De PvdA is zeker de meest politieke van de partijen in Nederland. Veel meer dan liberalen en confessionelen geloofden de sociaal-democraten in de werkzaamheid van het openbaar bestuur. Zonder deze "illusie' heeft de sociaal-democratie geen bestaansrecht.

Voorbeelden van het tanende geloof zijn er te over. Thijs Wöltgens die zich met de handen in het haar afvraagt wat hij onder "sociale vernieuwing' zou kunnen verstaan; Wim Kok die tijdens het vervaardigen van het rapport "Bewogen Beweging' herhaaldelijk uitsprak dat voor hem het voortbestaan van de PvdA geen gegeven was; en Marjanne Sint die het in haar begrijpelijke wanhoop vaak met de laatste spreker eens was. Uit deze geloofsafval spreekt zeker geen geborneerde houding, integendeel: het getuigt juist van een opening naar de wereld. Een andere weg is er niet, eerst moet het dal van de geloofsafval worden doorkruist.

De neergang van de PvdA is een vorm van identiteitsverlies, die doet denken aan de redactie van een tijdschrift die het niet meer weet en zich derhalve werpt op een lezersonderzoek. Die zullen het wel weten, maar zonder eigen overtuiging overtuig je niemand. Als je niet gelooft in de kwaliteit van de spullen die je maakt, zal je niemand weten te boeien. Zo simpel is het in weerwil van alle communicatie-deskundigen, die zweren bij het credo: wie geen karakter heeft, kieze zich een houding.

Wat telt is dat de PvdA-top zichzelf niet dwingt tot een antwoord op de prangende vraag: waarin geloven we nog, waartoe zijn we in hemelsnaam op aarde?

Men kan het verval ook anders beschrijven. In de sociaal-democratische voorhoede kwamen het sociale onbehagen en de intellectuele romantiek bij elkaar in een praktisch reformisme. Los van elkaar zijn die houdingen lachwekkend. Het onbehagen wordt dan tot een haatdragend geschreeuw, een georganiseerde elleboog en de romantiek tot een meelijwekkend alles moet anders, een vallende ster. Zonder het samengaan van die beide houdingen valt de morele zeggingskracht van de sociaaldemocratische traditie in het niet. Als je achterom kijkt dan is het eerder verwonderlijk dat deze verschillende culturen lange tijd in één partij zijn verenigd, dan om nu vast te stellen dat beide vergaand van elkaar zijn vervreemd.

Thurlings analyseert in zijn boek hoe de kerk in de greep raakt van een heftige strijd tussen theologische vernieuwers, die kiezen voor openheid, en conservatieve katholieken, die hun heil in een isolement zoeken: “Het is niet geheel onmogelijk dat dit conflict op een of andere manier tot een schisma leidt. Het gevaar van een wijd om zich heen grijpende desorganisatie lijkt intussen veel reëler”, voorspelt hij.

Ook dat lijkt van toepassing op de PvdA. De neergang is in gang gezet door de collectieve geloofsafval van de voorhoede. Maar vernieuwers en behoudzuchtigen hebben elkaar in een houdgreep, die niet zozeer op een scheiding der geesten uitloopt, maar meer op een algehele demoralisering. Menigeen weet dat de verzuilde sociaal-democratie verleden tijd is, wat niet wil zeggen dat diezelfde mensen bereid zijn tot een keuze voor waarachtige ontzuiling. De leiding van de PvdA leeft tussen twee werelden en voelt zich daar schuldig over.

Nadruk op de geloofsafval brengt een relativering met zich mee van de grote sociologische wetmatigheden die een onstuitbare afkalving aan de randen voorspellen. Daarmee wordt ruimte gesuggereerd voor initiatieven die wèl uit overtuiging zijn geboren. In zekere zin ligt de PvdA voor het oprapen wanneer zich politici aandienen die wèl een eigentijdse richting in hun kop hebben.

Het valt te bezien òf het tot elkaar bekeerde tweetal dat zich nu opwerpt als duo-voorzitter zo'n doorbraak weet uit te lokken, want juist hun samengaan zou de houdgreep der geesten kunnen bestendigen. Ondertussen heeft de vrijheid die beiden nemen èn krijgen veel te maken met het enorme gebrek aan zelfvertrouwen in de hogere regionen van de PvdA. "Wij hebben geen flauw idee hoe het verder moet, laat anderen het maar eens proberen', is de pijnlijk eerlijke knieval van de meeste PvdA-bestuurders, die Rottenberg en Vreeman graag de eer laten om orde te scheppen in de brij die partij heet.

Uiteindelijk bewijst een partij haar bestaansrecht door het vermogen om belangrijke maatschappelijke vragen zo te dramatiseren dat ze onontkoombaar worden. Waarom slagen de vermaledijde sociaal-democraten er niet in om ecologische belastinghervorming of grootscheepse steun voor Oost-Europa tot centrale politieke vraag te stileren, op eenzelfde manier als het CDA de arbeidsongeschiktheid tot prioriteit nummer één wist te verheffen? Het antwoord ligt voor de hand: de sociaal-democratische voorlieden hebben nauwelijks eigen ideeën en voor zover die nog voorhanden zijn, geloven ze er zelf niet echt meer in.