Dirigent dwingt opperste concentratie af van Royal Philharmonic Orchestra; Ashkenazy duldt geen misstappen

Concert: Royal Philharmonic Orchestra o.l.v. Vladimir Ashkenazy, m.m.v. Mischa Maisky, cello. Programma: Beethoven, Ouverture Leonore III op. 72a; Britten, Sinfonia da Requiem op. 20; Strauss, Don Quichotte. Gehoord: 11/1 Dr. Anton Philipszaal, Den Haag.

Met de dood van Bernstein en Von Karajan lijkt het tijdperk van de grote dirigenten met charisma en een verpletterende muzikale persoonlijkheid zo goed als voorbij. Nog altijd zijn er grote dirigenten, maar zij onderscheiden zich in de eerste plaats door degelijk vakmanschap en een stijlbewuste en partituurgetrouwe weergave van de muziek. Enkele "excentriekelingen' als Giulini en de altijd weer voor verrassende invalshoeken kiezende Harnoncourt buiten beschouwing gelaten, zijn het dirigenten als Abbado, Mutti, Ozawa, Haitink en Janssons, die in het door de platenmaatschappijen geregeerde koninkrijk van de klassieke muziek de toon aangeven.

Vladimir Ashkenazy neemt onder deze nieuwe goden in zoverre een uitzonderingspositie in dat hij zijn beroemdheid allereerst te danken heeft aan zijn indrukwekkende carrière als pianist. Maar sinds hij zich in 1963 in het Westen vestigde, begon Ashkenazy gaandeweg steeds meer te dirigeren. Inmiddels is hij chef-dirigent van het Royal Philharmonic Orchestra, het Cleveland Orchestra en het Berlijnse Radio Symphonie Orchester, en daarnaast is hij overal ter wereld een veelgevraagd gastdirigent. Maar ook al dirigeert de vele malen bekroonde Ashkenazy zijn Royal Philharmonic Orchestra met onmiskenbare autoriteit en een volledige muzikale inzet, de indruk die hij maakt heeft niets te maken met een "magische' uitstraling van zijn persoonlijkheid.

“Ik geloof dat een interpretatie op transparant glas zou moeten lijken, op een raam voor de muziek van de componist”, verklaarde Ashkenazy acht jaar geleden in een interview. “Ik geloof niet in Interpretaties met een hoofdletter. Ik geloof in het tot leven brengen van de muziek van binnenuit, zonder artificiële effecten.”

In overeenstemming met deze uitspraak opende Ashkenazy afgelopen zaterdag het programma met een kristalheldere uitvoering van Beethovens Ouverture Leonore III, waarbij hij door middel van verfijnde nuanceringen in samenklank, tempo en dynamiek een prachtig contrast aanbracht tussen de heroïsche en lyrische passages van het werk. Ook Brittens demonische Sinfonia da Requiem kreeg een interpretatie op het scherp van de snede. Met de driftige gebaren van een twintigste-eeuwste Napoleon stuurde Ashkenazy zijn legertroepen op oorlogspad door de even meedogenloze als troosteloze wereld van Brittens Sinfonia. Misstappen werden daarbij overduidelijk niet geduld, zodat geen orkestlid het in zijn hoofd haalde ook maar even met zijn gedachten af te dwalen, laat staan een fout te maken.

Dat Ashkenazy uit heilig ontzag voor de muziek van alle betrokkenen opperste concentratie eist (en weet af te dwingen), werd ten derde male duidelijk tijdens de sublieme vertolking van Don Quichotte van Richard Strauss. Elke frase van deze lastige partituur werd uitgebuit om het verhaal van de dolende ridder en zijn dikke knecht zo genuanceerd en markant mogelijk uit de doeken te doen, waarbij het Royal Philharmonic Orchestra in staat bleek tot een enorme diversiteit aan klankkleur. Alleen de door cellist Mischa Maisky met veel instrumentale brille ingevulde titelrol ontbeerde mijns inziens humor en fantasie. Juist de meest dwaze romanticus wil immers behalve fluwelig, zoetelijk en sentimenteel, ook wel eens heldhaftig, agressief of ten minste een beetje grimmig klinken wanneer hij op zijn ros ten strijde trekt.