De zinloosheid van ondergronds Moskou en andere "keldersteden'

Onlangs zou een tweede, maar dan ondergronds Moskou ontdekt zijn. Deze ondergrondse stad blijkt in de jaren zestig exclusief voor zo'n honderdtwintig hoge bestuursambtenaren te zijn gebouwd, aldus deze krant van 27 december 1991. Mocht er een kernoorlog uitbreken dan is de regering in ieder geval verzekerd van een veilig onderkomen, aldus het motief voor dit soort voorzieningen.

Schuilkelders van politieke elites zijn opeens veel in het nieuws. Het begon met het bericht dat onder het Roemeense Boekarest een geheim ondergronds gangenstelsel lag waar zich de veiligheidsagenten van de Securitate schuil hielden. Vervolgens kwam het ondergronds onderkomen van Saddam Hoessein in de publiciteit. Een week na het begin van de Golfoorlog werd bekend dat bij Bagdad drie omvangrijke en soms negentig meter diep onder de grond gebouwde bunkercomplexen waren aangelegd. In deze comfortabele schuilkelders huisden de presidentiële staf, het regeringsapparaat, de verbindingsdienst van het leger en de staf van de Baath-partij. Tenslotte kwamen de afgelopen weken dagelijks berichten binnen over president Gamsachoerdia, die zich schuilhield in het ondergrondse onderkomen van het parlementsgebouw in Tbilisi.

Bij de gewone bevolking zal ongetwijfeld onderhand de mening hebben postgevat dat juist diegenen die beslissen tot oorlog, tevens over de middelen beschikken om van die beslissing zelf in ieder geval niet de dupe te worden. Opmerkelijk aan het bericht over Moskou is echter vooral de suggestie dat een politieke elite zelfs een kernoorlog kan overleven, als zij maar lang genoeg en diep genoeg onder de grond wegkruipt in een optimaal uitgeruste omgeving.

De overtuiging dat de beschermer zichzelf dient te beschermen is al zo oud als de bescherming zelf. Net zoals koningin Wilhelmina volgens veel Nederlanders de plicht had zichzelf te beschermen door naar Engeland te vluchten, zo diende de politieke elite die achterbleef zich te beschermen door middel van een schuilkelder. Churchill bracht in de Tweede Wereldoorlog in Londen de meeste tijd door in een grote regeringsschuilkelder onder de grond ter hoogte van George Street. Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog was van dit soort aparte oorlogsvoorzieningen voor regeringsleiders nog geen sprake. Koning George de Vijfde moest in 1916 nog bij een onverwachte bomaanval op Londen uit een Zeppelin zijn toevlucht zoeken in zijn koninklijke treincoupé in een spoorwegtunnel waardoor het treinverkeer urenlang geblokkeerd was.

Maar er waren ook burgers die deze speciale behandeling zeker in het licht van hun eigen kwetsbaarheid voor oorlogsgeweld, overdreven vonden. “Ik hoop nu maar in vredesnaam dat er althans zo spoedig mogelijk begonnen wordt aan flinke, tegen radioactieve straling beschermde schuilkelders ten behoeve van de ministerraad, de Staten-Generaal en de ministeries. Dat is een kopzorg die me geen nacht verlaat”, zo schreef bijvoorbeeld de in die tijd vaste columnist van de Telegraaf, Johan Luger alias Pasquino in 1950 spottend. “De vorige keer was het al zo'n opluchting voor ons toen wij hoorden dat er speciale schuilgelegenheid voor de heren was gemaakt”, vervolgt hij dan. “Dat zeiden we toen nog tegen elkander, toen wij gedurende het bombardement van de Euterpestraat op de trap van ons bovenhuis zaten. Die hébben namelijk geen kelders, die bovenhuizen en je kon dus niet meer weg. "Zij zijn gelukkig veilig', zeiden wij.”

De schuilplaatsen van de politieke elite waren luxueus ingericht. Deze inrichting had in die tijd nog niet zoveel te maken met een verwachte lange verblijfsduur. Het comfort van de schuilkelder was simpelweg een voortzetting van het comfort in de normale verblijven van gezagsdragers en weerspiegelde slechts de voornaamheid van de gebruikers. Vanuit Frankrijk berichtte Het Volk in de jaren dertig dat de Senaat vlakbij het Palais du Luxembourg de beschikking had over een ondergrondse ruimte met zachte banken en rondtrappende bedienden om het elektrisch licht gaande te houden.

Met de komst van kernwapens veranderden zowel de berichten over "de bescherming van de beschermers' als de functie van de schuilkelderinrichting. De berichten veranderden omdat men er groot belang bij had de precieze lokatie van de schuilkelders geheim te houden. De functie veranderde omdat het verblijf in de schuilkelders wel eens van zeer lange duur zou kunnen zijn. Een directe aanval met een krachtig kernwapen zou immers elke schuilkelder kunnen vernietigen en indien dit niet het geval was zou de radioactiviteit er wel voor zorgen dat men voorlopig de schuilkelder niet meer uit kon. Vandaar het nu pas bekend worden van de ligging van de Moskouse "kelderstad' en de enorme diepte - 70 tot 100 meter - waarop zij ligt. Omdat de verwachting was dat stedelijke centra het eerste doelwit zouden vormen bij een kernoorlog, moesten de schuilkelders van belangrijk geachte mensen buiten het stadscentrum liggen. In Moskou blijkt de keuze te zijn gevallen op het zuidwesten van de stad. De Sovjet-Unie is in deze niet uniek; de Verenigde Staten hebben iets soortgelijks maar deden er tot nu toe minder geheimzinnig over.

In oktober 1961 verscheen in het US News & World Report het bericht dat de Amerikanen zich geen zorgen hoefden te maken over het lot van hun regeringsleiders bij een kernoorlog: “Diep onder de grond begraven bevinden zich vitale regeringsfaciliteiten om de Verenigde Staten draaiende te houden. Directe aanvallen op Washington zullen de federale machinerie niet wegvagen.” Het blad vervolgt: “Sommige van de acht geplande ondergrondse steden zijn reeds gebouwd. (-) Ze zijn gelokaliseerd in een boog tot driehonderd mijl ten westen van de hoofdstad. In elke "stad' is plaats voor vijfhonderd mensen en zijn er voorzieningen in ondergebracht voor een verblijf van dertig dagen.” Het belangrijke ministerie van Defensie is in de vorm van een "ondergronds Pentagon' in het binnenste van een niet nader aangeduide berg uitgehouwen. Mocht die ook worden vernietigd, dan is er nog een derde voorziening in de vorm van verschillende "kleine Pentagons' die verspreid rondom Washington liggen. De honderdtwintigduizend ambtenaren die in Moskou het bestuur ondergronds moeten voortzetten, vinden vermoedelijk hun pendant in een min of meer gelijk aantal personen dat hetzelfde moet doen in Washington. De Amerikaanse woordvoerders weten volgens het artikel zeker dat hun land met behulp van deze voorzieningen een kernoorlog niet alleen kan overleven, maar deze ook kan winnen om zich daarna wederom tot een machtige staat te ontwikkelen.

De "bescherming van de beschermers' tegen kernwapens door middel van ondergrondse steden is echter relatief. Dit blijkt niet uit de berichtgeving van Moskou of Washington maar uit een op het eerste oog nogal verdachte bron, namelijk de science fiction. Terwijl de luxueuze inrichting van de Moskouse ondergrondse stad voor menigeen hooguit het zoveelste bewijs vormt dat de communistische elite ook op dit gebied haar eigen belang nastreefde, kan deze luxe ook anders worden geïnterpreteerd. "Vijfentwintig tot dertig jaar', zoals de verwachte verblijfsduur wordt geschat, in een luxe maar wel volkomen van de bovenwereld afgesneden en honderd meter onder de grond gebouwd appartement is vermoedelijk toch veel en veel onaangenamer dan bijvoorbeeld honderd jaar wonen in een bovengronds krot. Maar over deze verwachte verblijfsduur wordt in de officiële publicaties nooit hardop van gedachten gewisseld. Twijfel aan de haalbaarheid van ondergrondse bescherming stond zowel in de Sovjet-Unie als in de Verenigde Staten, zeker op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, min of meer gelijk aan landverraad. Alleen in de zogenaamde "Derde Wereldoorlog' science fiction vond men hierover uitgewerkte ideeën. Het noemen van de luxe inrichting van een ondergrondse stad, van de enorme diepte waarop zij zich bevindt en de lange schuilperiode waarop de voorzieningen zijn gebaseerd, is uniek in de documentatie over schuilkelders en gebeurde tot nu toe alleen in de science fiction. In dit genre leiden deze kenmerken er echter nooit toe dat de politieke elite ook daadwerkelijk als zodanig kon overleven.

Zo wordt in de film The Day After (1984) uit zijn ondergrondse schuilkelder de Amerikaanse president opgevoerd die, in een verder volkomen vernietigd land, via de radio aan een gedecimeerde en grotendeels doodzieke bevolking meedeelt dat een wapenstilstand is gesloten met de Sovjet-Unie. In de Amerikaanse science-fictionroman Level Seven (1959), veelzeggend opgedragen aan "Dwight and Nikita', blijven na een korte kernoorlog tenslotte alleen de ondergrondse regeringsposten van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie over. De Russen willen met de Amerikanen vredesonderhandelingen starten omdat er niets meer is om over te twisten: geen mensen, geen land, geen strategische posities, geen rijkdom, niets. De enige reden van hun voorstel is om via het contact met de Amerikanen nog wat plezier te beleven in het verder eentonige ondergrondse bestaan. De Amerikaanse militaire top komt tenslotte, nadat eerder al het radiocontact met de Russen voorgoed is weggevallen, toch nog vrij spoedig aan zijn eind. Er blijkt een lek te zitten in de ondergrondse kernenergiecentrale die voor warmte, licht en luchtverversing zorgt. De paar mensen die een kernoorlog konden overleven door zich diep onder de grond af te schermen van de radioactieve buitenwereld, komen alsnog om door radioactieve besmetting van een voor dit overleven onmisbare kerncentrale.

Het bericht over de Moskouse ondergrondse stad versterkt mijn hypothese, dat deze en andere gruwelverhalen uit de science fiction over schuilkelders van politieke elites vermoedelijk meer werkelijkheidswaarde hebben dan de naam van het genre suggereert.