De culturele revolutie van de jaren zestig is nog steeds niet verwerkt; Haagse kringen op zoek naar zichzelf

Het saneringsbeleid van de jaren tachtig leent zich niet ongewijzigd voor voortzetting. Een illustratie hiervan zien we in de dreigende devaluatie van de politieke besluitvorming tot eindeloze ombuigingsoperaties.

De gebruikelijke gang van zaken op menig departement, wanneer weer tot een generale ombuigingsaanslag wordt besloten, is ongeveer als volgt. In alle haast worden er maatregelen bij bedacht. Er is geen concept van de verzorgingsstaat beschikbaar waar de ombuigingen een logisch slothoofdstuk van vormen; ze vormen veelal de eerste pagina's van in der haast gefabriceerde nota's. Deze ombuigingen worden vervolgens verwerkt als een beperking, als een vervelende reductie op wat men eigenlijk zou willen. Daarom wordt er tegen geprotesteerd. Echt beleid kost immers geld en beter beleid kost méér geld. Een minister op wiens begroting in de ministerraad een zware aanslag wordt gedaan (of nog erger: een zwaardere dan zijn collega's) heeft het verloren en krijgt het zwaar bij zijn ambtenaren, zijn partij, de pers. Aldus ontstaat snel het beeld dat we bezig zijn met afbraakbeleid. En dat is het inderdaad: afbraak van een verouderd concept van onze verzorgingsstaat. Maar met louter iets af te breken komen we niet ver. Er wordt dan wel bezuinigd, maar niet strategisch vernieuwd. Dikwijls wordt ook nieuw beleid gewoon gestapeld op het oude. Zo blijft de overheid aan het ombuigen.

Wat veelal ontbreekt is een opbouw-element. Een nieuw concept voor beleid waarvan de grondtrekken niet worden overheerst door geld en regelgeving. Een verzorgingsstaat die zich rekenschap geeft van de toegenomen welvaart en zelfstandigheid van burgers. Ombuigen is dan de laatste pagina van een beleidsnota; het logisch gevolg van een opbouw-beleid van een moderne verzorgingsstaat. Ombuigen is dan geen beperking of een reductie op wat wij eigenlijk zouden willen, maar de logische invulling daarvan. Hier is aan de orde, dat "Den Haag' nog steeds niet de culturele revolutie van de jaren zestig heeft verwerkt. Burgers hebben zich sindsdien bevrijd van de verzuilde maatschappelijke en geestelijke kaders. Moderne burgers verlangen zelfstandigheid, willen zelf oordelen, zelf richting geven aan hun leven. Men verlangt zelf verantwoordelijkheid; niet meer schuilen achter de dominee, de pastoor, de vakbondsleider, de hoogleraar, de minister. Er vond een versplintering plaats van normen en waarden, waar voorheen sprake was van bundeling (de zuilenstructuur).

De overheersende reactie van "Den Haag' daarop is geweest met veel publiek geld en publieke regelgeving alsnog een nieuwe samenhang te creëren ter compensatie van de versplintering en individualisering. Een benadering bovendien met duidelijke accenten: op het beschermen van mensen; op rechten; op centralisme en op gelijkheid. Al deze accenten vroegen om veel geld en veel regelgeving. Voortdurend toenemende uitgaven voor sociale zekerheid, volksgezondheid, individuele huursubsidie werden lange tijd in Den Haag als tekenen van beschaving en van sociale vooruitgang beschouwd. Succesvol was men pas wanneer men meer geld en meer regelgeving wist te organiseren voor zijn voorziening: dat was (en is nog dikwijls) het hoogste wat een Kamerlid, een bewindsman of een ambtenaar in dit leven kan bereiken.

Maar deze "succes-signalen' (meer geld en meer regelgeving) hadden juist de contra-indicaties moeten vormen voor een moderne, houdbare verzorgingsstaat, waarin mensen vooral worden ondersteund in hun onafhankelijkheid van uitkeringen of van professionele hulpverlening. Humaniteit en menswaardigheid werden aldus, met de beste bedoelingen, dikwijls juist gemist. De oorspronkelijke opzet van de verzorgingsstaat werd breed gemotiveerd met overwegingen van sociale vooruitgang. Maar het besef van de noodzaak van een zorgvuldig zoeken naar de balans tussen wat wel en niet geregeld moet worden, groeit pas later, met enige vertraging, in de loop van de opbouw- en consolidatie-fase. Een besef ook dat in deze voorzieningen ingebouwde correctie-mechanismen, veelal ontbraken.

Dat besef werd ook opgeroepen door budgettaire grenzen: in de jaren tachtig was het geld op. Er kwam een grens aan het grenzeloze van de jaren daarvoor. De overheid draaide de geldkraan dicht zonder al te veel discussie over inhoudelijke consequenties voor het beleid. Veel tijd was er ook niet, gelet op de stand van de publieke financiën. De samenleving werd wakker geschud. De burger en zijn organisaties veroverden, gedeeltelijk, hun domein. Goedschiks: lonen worden sinds november 1982 in vrije en gedecentraliseerde onderhandelingen bepaald. Niet zonder succes als we naar de werkgelegenheidsgroei in de jaren tachtig kijken. Maar ook kwaadschiks: regelgeving van de overheid wordt in toenemende mate ontdoken. Het gezag van de overheid verliest terrein. Compensatie dreigt in een overproduktie van beleid. Gelukkig wordt dit, vooralsnog op het niveau van de studierapporten, als inferieur onderkend: zie publikaties van het Sociaal en Cultureel Planbureau alsmede, bijvoorbeeld, de nota "Zicht op wetgeving' van het ministerie van justitie van januari 1991. De beleidsreactie moet volgen.

"Den Haag' is geïsoleerd, alsof er een glazen kaasstolp overheen staat: de burger ziet wel veel bedrijvigheid maar verstaat niet waarover men spreekt. Onder de stolp is het besef van wat daarbuiten gebeurt evenmin indrukwekkend. Geïsoleerd en tegelijkertijd verstrengeld in een soms onontwarbare kluwen van relaties waar men veelal in aanzienlijke mate van afhankelijk is. "Den Haag' heeft inmiddels een moeizame en soms ronduit verstoorde relatie met tal van relevante partners in zijn omgeving: met burgers, kiezers, maatschappelijke organisaties, met rechters en zelfs met ambtenaren, uitvoeringsorganen en deskundigen. Bovendien zijn de verhoudingen met "Brussel' volop in beweging. Deze moeizame en soms ronduit verstoorde relaties leiden tot onzekerheid, achterdocht, ineffectief beleid. Wij zien verlammingsverschijnselen optreden. Er is geen helderheid en geen onderling vertrouwen over de wederzijdse terreinafbakening en bevoegdheden, noch over verantwoordelijkheden.

Hoe komen we tot houdbare, duurzame voorzieningen en tot een gezaghebbende vervulling van publieke taken? Een eerste forse complicatie is: kan de overheid voorspelbaar zijn wanneer de "omgeving' haar voortdurend voor verrassingen plaatst. Zijn maatschappelijke ontwikkelingen niet even onvoorspelbaar en grillig als wat er onder de Haagse stolp plaatsvindt? Soms heb ik in Den Haag het gevoel dat we van alle kanten tegelijkertijd worden ingehaald. Vermoedelijk ook doordat we zelf niet altijd weten op welke weghelft we ons bevinden. Er zijn perioden dat we ons van incident naar incident begeven.

Een eerste conclusie moet zijn dat de politiek en de openbare dienst hun heil niet moeten zoeken in het proberen vast te leggen van de meest gewenste uitkomsten van deze ontwikkelingen. De omgeving van "Den Haag' is niet eenduidig, overzichtelijk of ordelijk te bedienen met een grote conceptie als antwoord op alle dilemma's. Maar wat dan wel? Den Haag kan zo toch moeilijk van incident naar incident voortgaan. Bij zoveel turbulentie is het raadzaam te ordenen door bewust te versimpelen. Zo is onze ervaring op het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid. Wij proberen met betrekkelijk simpele vragen enige orde te scheppen: (1) is een probleem dat zich aandient òns probleem als overheid of behoort het een ander toe? Een poging dus systematisch de vraag te stellen naar het onderscheid tussen het publieke en het private domein; (2) wanneer het ons "publieke' probleem is: op welk niveau binnen de sfeer van de overheid behoort het aangepakt te worden; Brussel, Den Haag, de regio of de gemeente. En ook: hoe krijgen we het daar waar het hoort?; (3) als blijkt dat het ons "Haagse' probleem is: hoe kunnen we het effectiever aanpakken; slimmer, doelgerichter en ook goedkoper, als het even kan.

We moeten dus op zoek naar het publieke domein. En dat is een ware ontdekkingsreis. De overheid moet zich namelijk een weg banen door een oerwoud van vanzelfsprekendheden, vertrouwde gebruiken, gewekte verwachtingen. Wat is nu echt de kern van het publieke domein? Wat is onvervreemdbaar "van de overheid', omdat zij de enige is die in ieder geval een basis-niveau aan bescherming en ordening moet waarborgen in een sociale rechtsstaat als de onze, die zich moet onderscheiden door humaniteit en menswaardigheid?

Wat dus moet gebeuren is dat de politiek de publieke kerntaken benoemt. Een zoeken naar de taken die in ieder geval en bij voorrang behartigd moeten worden. Vervolgens zullen daarvan afgeleide taken in beeld kunnen komen.

Is dit niet een kernpunt ter verklaring van de geïsoleerde positie van "Den Haag': de indruk die burgers hebben dat de overheid niet gedisciplineerd genoeg is. Zijn wij in Den Haag niet vooral en voortdurend bezig het slothoofdstuk te schrijven van een redelijk omvangrijk boek dat we de burgers willen bieden, terwijl die burger na de inleiding veelal is afgehaakt omdat hij ziet dat we dàt al dikwijls niet waar maken? Bescherming en ordening waarin in ieder geval en bij voorrang voorzien moet worden: laten we daar nu eens mee beginnen. En dit goed en adequaat organiseren. Daarna kunnen we verder zien. Zoals gezegd: het aldus ordenen en disciplineren is een (noodzakelijke) versimpeling. Bij de uitvoering stuit je op tal van grensgevallen en afwegingsmomenten. Het publieke domein is natuurlijk niet honderd procent glashelder van het niet-publieke te scheiden; we kunnen er geen afscheidingshek omheen zetten. Het publieke gezichtspunt - het recht, de publieke rechtsorde - mag in beginsel de toegang tot geen enkel terrein ontzegd worden.

En toch. Toch moeten we het publieke domein zo zuiver mogelijk aangeven, teneinde zo helder mogelijke terreinen te onderscheiden. De wanorde van nu, de achteloze grensoverschrijdingen - over en weer - van de laatste jaren: dit houden we niet lang vol. Er verdwalen te veel mensen in "Den Haag'.

Foto: Chaos in het publiek domein; het nieuwe ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid in Den Haag (foto Hans Kouwenhoven/Stokvis)