Brautigam wars van pianistisch vertoon

Recital: Ronald Brautigam, piano. Programma: S. Rachmaninof: Corelli-variaties; F. Schubert: Wanderer Fantasie; O. Messiaen: Cantéyodjayã; M. Ravel: Le Tombeau de Couperin. Gehoord: 12/1 Concertgebouw Amsterdam.

Ronald Brautigam trad gisteren als eerste Nederlandse pianist op in de prestigieuze serie Meesterpianisten in het Amsterdamse Concertgebouw. Maar sinds gisteren is Brautigam natuurlijk geen andere pianist dan hij al was: een ingetogen en consciëntieus musicus, een eerlijk vertolker die zich dienstbaar opstelt en de eer vooral laat aan de componist.

Het programma dat Brautigam vaak heel mooi en soms zelfs bijzonder vervoerend speelde, was stilistisch breed samengesteld: Rachmaninof, Schubert, Messiaen en Ravel. Op het oog was er tevoren geen constante in te ontdekken, maar tijdens het recital leek die te bestaan uit een voorliefde voor epaterende passages met hoge noten van allerlei soort: parelend in Rachmaninofs Corelli-variaties, hemels verheven in Schuberts Wanderer Fantasie, fluorescerend fel oplichtend in Messiaens Cantéyodjayã en sprankelend in Ravels Le Tombeau de Couperin. Die onthechte lijn van etherische lichtheid zette zich nog voort in de eerste twee toegiften: tere muziek van Messiaen en Berio. Daarna liet Brautigam wat meer aardse veelzijdigheid horen, in de vrolijke Rossini en in de jazzy Gershwin.

De bijna schuchtere Brautigam is het absolute tegendeel van het type wereldberoemde klavierleeuw, de dominerende podiumpersoonlijkheid, die opgaat in eigenzinnigheid en zich uitleeft in hoogstpersoonlijke interpretaties. Bij Brautigam heerst een heel scala aan bedachtzaamheid en evenwicht. Virtuositeit is voor hem nauwelijks meer dan een nuttige bijkomstigheid, slechts een van de vele expressiemiddelen die een pianist ten dienste staan. Maar door het onnadrukkelijke karakter valt zijn technische vaardigheid de luisteraar dan juist op prettige wijze op. Zo roept Brautigam eerder bewondering op dan dat hij enthousiasme afdwingt.

De schijn van middelmaat en gelijkmatigheid die dreigt door zijn uiterlijke terughoudendheid weet Brautigam meestal ruimschoots te omzeilen dankzij zijn bijzondere muzikaliteit. Door zijn grote aandacht voor de opbouw van het geheel bewijst die zich soms echter niet altijd onmiddellijk en gemakkelijk. Men verwacht toch soms iets meer pianistisch vertoon en men zou bijvoorbeeld in Rachmaninof misschien een wat sterker accent gewenst hebben op sommige hamerend-ritmische passages. En in de Prélude van Le Tombeau de Couperin leek de aanduiding vif misschien nog te weinig reliëf te krijgen.

Maar uiteindelijk - ook in Wanderer Fantasie waarin Brautigam op de Steinway toch subtiel leek te zoeken naar de kleurrijke klank van een forte-piano - bereikte Brautigam zijn doel zonder een moment te hoeven forceren juist des te overtuigender.