Zo, dat was het Engels

Een goed rapport is een verademing. Zeker als het kort en in helder Nederlands geschreven is en laat zien dat de wereld minder ingewikkeld is dan gisteren nog mocht worden gevreesd. Deze week verscheen zo'n denkverslag. De boodschap was: Het Nederlands aan de universiteit hoeft niet te worden beschermd. Beoefenaars van de wetenschap redden zich best. De wereld ziet ons niet over het hoofd.

Het rapport was een rustige afronding van de rel die minister Ritzen had veroorzaakt met zijn woorden over het Engels als wenselijke voertaal aan de universiteit. Zo gaat dat soms. De minister van onderwijs zegt voor de vuist weg iets waar hij wel degelijk achter staat. De eensgezinde verontwaardiging is vervolgens zo groot dat een beetje koud water niet helpt. Alleen een commissie van wijzen kan dan uitkomst brengen.

Dat is nu gebeurd. Onder leiding van WRR-lid en hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie in Leiden, H.R. van Gunsteren heeft een kleine commissie van ontwikkelde Nederlanders gerapporteerd over taalaspecten van het onderwijs. Zij heeft de indruk dat het politieke debat over de rol van het Engels in het Nederlandse onderwijs “oververhit en diffuus” is. Een forse term, gezien de kalme taal van het rapport.

De minister is onderwijsland indertijd binnengestapt als een oplossingsgericht econoom, zoals dat in personeelsadvertenties heet. Sindsdien heeft hij nogal wat overhoop gehaald. Niet alleen op zijn ministerie, waar hier en daar al weer ambtenaren uit hun interne verhuisdozen kruipen en aan het etiket ontdekken wie zij zijn en wat zij geacht worden te doen. Samen met zijn collega Wallage heeft Ritzen vooral buiten de Zoetermeerse muren heel wat ingrijpende systeemwijzigingen voor het onderwijs van hoog tot laag uit de hoed getoverd.

Juist zijn opmerkingen (in december 1989) over het Engels waren gedaan in de betere "benen-op-tafel'-traditie. Zonder plannen voor gedetailleerde wetgeving, zonder financiële stok achter de deur. Gewoon hardop denkend over wat iedereen weet: dat de kennis van moderne talen in de praktijk van het internationaler wordende leven bij veel Nederlanders tegenvalt. Los van de vraag of dat nu vroeger beter of anders was.

Ritzen had zich beperkt tot de wetenschappelijke wereld, waar de universitas academica op veel vakgebieden al een wereldwijde correspondentie-club is. Vaak met Engels als voertaal. Zou het niet handig zijn als we zorgen dat we daarin beter mee kunnen komen, om te zien en gezien te worden, had Ritzen gevraagd. Is daarvoor geen voorwaarde dat we tot meer evenredige uitwisseling van studenten en onderzoekers met andere landen komen? En als je erkent dat een Italiaan of een Amerikaan niet voor een paar maanden of zelfs een paar jaar Nederlands zal leren om zich te kunnen laven aan de kennis van onze topdocenten DNA- of sterrekunde, dan zou je kunnen overwegen een deel van het onderwijs hier in het Engels te gaan afwikkelen. Aldus de minister van onderwijs en wetenschappen.

De Tweede Kamer was te klein - daar wordt nu iets aan gedaan. Een schriftelijke vraag, gesteund door leden van GPV, D66, PvdA, CDA, Groen Links, SGP en RPF, getuigde van bezorgdheid voor het voortbestaan van de Nederlandse taal en cultuur. De vragenstellers vreesden bij invoering van het Engels als universitaire voertaal het ontstaan van een culturele bovenlaag “die zich niet meer primair van de landstaal bedient”. De minister moest maar bevorderen dat anderen hier komen studeren in plaats van andersom.

De vredesmissie-Van Gunsteren stelt nu vast dat er helemaal geen crisis is en nog minder aanleiding met wetgeving het gebruik van het Nederlands in het onderwijs te verankeren. Allerlei specifieke wensen en specifieke handicaps (moeilijke toegankelijkheid van het Nederlands hoger onderwijs voor buitenlandse studenten, gebrekkige uitdrukkingsvaardigheid, onvoldoende internationale bekendheid van Nederlandse wetenschappelijkle prestaties) kunnen met maatwerk worden aangepakt.

Maar grootscheeps ingrijpen, zoals wetgeving die overal en voor iedereen geldt, is pas nodig op het moment dat ruïneuze situaties opdoemen, vindt de commissie. Dat is pas het geval als het Nederlands niet meer de vanzelfsprekende taal “in het dagelijkse sociale, politieke en economische verkeer” zou zijn, als “Nederland internationaal niet meer kan meekomen”, of als “de kwaliteit van het hoger onderwijs en onderzoek zo pover zou worden dat de kwalificatie "hoger' onderwijs niet langer van toepassing zou zijn”.

Daar is geen sprake van. De universiteiten zijn niet in gevaar, Nederland loopt niet hopeloos achterop en de Nederlandse taal is niet bedreigd in eigen land. En dus moet de overheid geen voorschriften over verplicht gebruik van het Nederlands uitvaardigen. "Preventief globaal' ingrijpen leidt tot "symbolische spierballenwetgeving'. Quota en percentages vragen om "strategisch ontsnappingsgedrag' en doen niets voor de kwaliteit van het onderwijs.

Tot zover de nuchtere analyse van de commissie-Van Gunsteren. De belangrijkste bijdrage van haar rapport is dat het Nederlands niet op de lijst van te vertroetelen verdwijnverschijnselen hoeft te worden geplaatst. Wie dat overkomt, is echt in nood. Daarbij hadden de adviseurs er kennelijk behoefte aan een wijder lesje te leren aan Zoetermeer, de regering, of het regelvolkje in nog ruimere zin. Namelijk: niet alleen praten over beteugelen van de bedilzucht, maar er ook naar handelen.

In dit geval betekent dat niet handelen. Het is een on-Nederlands rapport omdat het een niet-etatistische benadering kiest en volhoudt. Er wordt geen subsidiefonds voorgesteld, en geen coördinerend bewindsmens in het leven geroepen. Voor verschillende vakgebieden zal een verschillende aanpak nodig zijn. Ziet u zelf maar.

Die wijze beperking houdt wel een gevaar in voor wie denkt dat de kous hiermee af is. De problemen blijven zoals zij waren. De resultaten van het onderwijs in moderne talen blijven te kort schieten omdat we ook nog solderen, verzorgen, drama en twaalf andere vakken en ambachten in het middelbaar onderwijs sleutelen. De Nederlandse academicus kan zich zelfs schriftelijk in minder afdoende Engels uitdrukken dan hij/zij en zijn/haar hoogleraar wel denken (zoals Sheila McNab op 16 januari '90 afdoende beschreef in het Supplement O&W ).

Het steenkolen-Engels, door velen regelmatig aangeprezen als goed genoeg, zal onze beste bijdrage blijven. Dat belooft buitenlanders weinig bijzonders voor wat wij denken en zeggen in het Nederlands dat zij zelden begeren te beheersen.