Weinig kans op verrassingen bij conferentie over toekomst Antillen; Nederland wil alles het liefste bij het oude laten

WILLEMSTAD, 11 JAN. Volgende week maandag en dinsdag vindt in Willemstad een mini-conferentie plaats met als enige agendapunt de staatkundige toekomst van de vijf eilanden van de Nederlandse Antillen. Dat zal genoeg stof bieden voor verhitte discussies tussen de diverse partners: de Nederlandse regering, de Antilliaanse overheid en afgevaardigden van elk van de vijf eilanden. Hoewel de officiële versie is dat alle mogelijke opties ter tafel liggen, komen de standpunten van de delegaties van de eilanden neer op meer autonomie voor elk, maar binnen het koninkrijk.

Besprekingen over de staatkundige verhoudingen kenmerken zich al decennia lang door oeverloze debatten over wat wel en wat niet aanvaardbaar zou zijn. Twee momenten uit die beraadslagingen zijn van groot gewicht voor de gespreksronde die maandag aanvangt. Ten eerste, de aanvaarding in de jaren zeventig dat elk eiland aanspraak kan maken op het zelfbeschikkingsrecht. Hiermee heeft Aruba steun van Den Haag kunnen afdwingen om zich los te maken uit het Antilliaanse staatsverband. Ten tweede, de overname door Den Haag van het voorstel uit Oranjestad om de verplichting vastgelegd in het statuut, dat Aruba per 1996 onafhankelijk wordt, ongedaan te maken. Die verplichting was de voorwaarde voor toekenning van de status aparte aan Aruba in 1986.

Begin deze week herhaalde minister Hirsch Ballin van Antilliaanse en Arubaanse zaken bij aankomst op Curaçao dat hij fel gekant is tegen verdere versnippering van de Antillen. Hij streeft naar zijn zeggen naar “bestuurlijk hanteerbare oplossingen”. Daartoe rekent hij zeker ook zijn plan van vorig jaar voor vier partners binnen het koninkrijk: Nederland, Aruba, de Bovenwindse Eilanden (Sint-Maarten, Sint-Eustatius en Saba), en Curaçao samen met Bonaire. Dit plan is op de eilanden niet in goede aarde gevallen omdat het niets wezenlijks verbetert aan de situatie. Maar ook de Tweede Kamer was tegen. Die vond deze opdeling van de Antillen te ver gaan.

Hirsch Ballin kondigde verder aan dat voor de komende besprekingen niet gerekend hoeft te worden op nieuwe suggesties van Nederlandse zijde. Met belangstelling zou hij de standpunten van de diverse eilanden tegemoet zien. Wat dat betreft zijn er weinig verrassingen te verwachten. Curaçao opteerde deze week nog bij monde van gedeputeerde Dito Mendes de Gouveia voor “een autonome status”, dus een zelfde positie als Aruba, maar met “hechte en duurzame banden met de andere eilanden”. De gedeputeerde zei dat het de Curaçaose politici niet lekker zit dat Nederland dwarsligt: “Toen Aruba zelfstandig wilde worden, kreeg het alle medewerking. Curaçao lijkt niet te kunnen rekenen op dezelfde sympathieke behandeling door Nederland. Constant vallen de Nederlandse overheid, politici en media over ons heen sinds wij te kennen hebben gegeven een zelfde positie te ambiëren.” Hij stelde voorts dat Curaçao het beu is verantwoordelijk te worden gesteld voor wantoestanden op de andere eilanden terwijl het op die eilanden het verwijt te horen krijgt zich in te laten met hun aangelegenheden.

Het Curaçaose standpunt moet zeker niet uitgelegd worden als een zich afzetten tegen andere eilanden, maar als een methode om te geraken tot één bestuurslaag en voor een efficiënter bestuursapparaat. “Bovendien kunnen wij als autonoom eiland de naam van Curaçao eindelijk internationaal uitdragen, net als Aruba”, aldus Mendes de Gouveia. Curaçao maakt zich op voor een consultatief referendum dat op 12 juni wordt gehouden. Daarbij zal de Curaçaose bevolking zich kunnen uitspreken voor of tegen een status aparte voor het eiland binnen het koninkrijk. De informatiecampagne die daarvoor van overheidszijde is opgezet, laat er geen twijfel over bestaan welke optie de voorkeur heeft. Mede omdat dit een van de weinige punten is waarover coalitie en oppositie het met elkaar eens zijn, wordt de optie van een autonome status naar Arubaans model sterk gepousseerd. Vanuit het bedrijfsleven is kritiek gekomen en wordt aangedrongen op meer evenwichtigheid in de voorlichting. De Curaçaose bankiersvereniging houdt medio volgende maand een studie-ochtend met de bedoeling de pro's en contra's ervan op een rij te zetten.

Het streven van Curaçao is in hoge mate bepalend geweest voor de stellingname van de andere eilanden. Enkele jaren terug voelde Sint-Maarten de bui al hangen en sinds 1988 wordt geopteerd voor "een souvereine positie in het koninkrijk', wat identiek is met wat Curaçao voorstaat. Daardoor zien Saba en Bonaire zich voor dezelfde keus geplaatst. Alleen Sint-Eustatius houdt vast aan het idee van een "Antillen van vijf', ervan uitgaande dat alles wat de anderen bij vertrek achterlaten haar toekomt.

Nederland laat alles het liefst bij het oude: hooguit een meer gedecentraliseerd bestuur, zeker geen verbreking van de banden tussen de resterende vijf eilanden. Aruba doet niet mee aan de tweedaagse conferentie, maar is wel van de partij daags nadien op het koninkrijksberaad in Willemstad, waar eveneens de staatkundige relaties het centrale discussiepunt vormen.

Bij de presentatie begin 1990 van zijn voorstel voor een Gemenebest-relatie binnen het koninkrijk, was minister Hirsch Ballin er heilig van overtuigd dat datzelfde jaar nog spijkers met koppen geslagen konden worden. Later gaf hij toe dat hij de situatie verkeerd had ingeschat. Toch heeft hij nu opnieuw goede hoop dat er zaken gedaan worden op de aanstaande conferentie, getuige zijn bewering in de begroting van 1992 dat er “concrete stappen zullen worden genomen op het terrein van de staatkundige herstructurering”.