Volgens het Groene Boekje leggen luizen luizeëieren

Tijdens de pauze van het Grote Dictee der Nederlandse Taal op 15 december 1991 in de vergaderzaal van de Eerste Kamer konden wij vernemen dat het werk aan nieuwe spellingsvoorschriften vordert. Eén van de taalkundige wasmiddelen die vernieuwd op de markt gebracht worden betreft de verbindings-n die al dan niet voorkomt in woorden als cipressehout en bessenjenever. De nieuwe regels komen waarschijnlijk in 1992 gereed en dan zal de discussie weer oplaaien.

Dus maar wachten met de verdere discussie? Ik denk dat dat niet verstandig zou zijn. Het is goed om de belangstelling vast een beetje op te warmen door nog eens duidelijk te wijzen op de zonden tegen de logica die de huidige voorschriften op dit punt kenmerken.

In de tijd waarin de Woordenlijst der Nederlandse taal - het bekende Groene Boekje uit 1954 - werd opgesteld, was er weinig regelmaat te ontdekken in de door de woordenboeken gebruikte spelling voor woorden als fluitekruid en bessensap, paardebiefstuk en paardenrookvlees, paardebek en paardenhaar. Er waren in die tijd wel meer woorden met een verbindings-n dan zonder. Die n is overigens lang niet altijd een meervouds-n. Ze is te verklaren uit het verschijnsel dat veel nieuwe woorden door de eeuwen heen zijn gevormd naar analogie van bestaande woorden. In een leerboek uit 1932 lees ik dat de s van staatsbestuur en de n van gravenkroon - die we ook nog herkennen in 's-Gravenhage - een genitief aanduiden en dat woorden als schaapskooi, galgenaas en slakkenhuis naar analogie van deze vorm zijn ontstaan. Ik denk dat het vaststellen van een min of meer bindende spelling zich, met respect voor wat gegroeid is en aanvaard wordt, moet beperken tot aanpassingen aan gewijzigd gebruik. Volgens de opstellers van het groene boekje moet men tussen twee vormen kiezen op grond van regels - waaraan vervolgens bestaande en aanvaarde spellingswijzen worden aangepast.

Het vastleggen van een spelling was natuurlijk niets nieuws. Een bekend auteur van een toonaangevend woordenboek, de predikant P. Weiland, had in 1804 in opdracht van de Bataafsche Republiek een (bindende) grammatica opgesteld. Kort daarna publiceerde hij onder de titel Handwoordenboek voor de Spelling der Hollandsche Taal een woordenlijst die net als het groene boekje de juiste spelling beoogde te geven voor een groot aantal woorden. Samenstellingen zonder de verbindings-n waren met een lantaarntje te zoeken. De samenstellingen met paard, bes, mens, beer, schaap, ze werden allemaal zonder uitzondering met een n geschreven. Combinaties met schaap kwamen voor in alle varianten: schaapherder, schaapskooi en schapenbout, maar de samenstelling schape- komt niet voor. Een eiken tafel was toen nog van eikenhout.

Het Nederduitsch Letterkundig Woordenboek van dezelfde Weiland, twee lijvige delen met samen bijna tweeduizend pagina's, was in het midden van de eeuw toonaangevend. Toen Van Dale het veel bescheidener woordenboek van Calisch en Calisch ging bewerken, schreef hij in het voorwoord dat hij niet, zoals zovelen in die tijd, de spelling van Weiland slaafs wilde volgen. In zijn bewerking komen dan ook wat meer woorden voor zonder verbindings-n, zoals besseboom, zij het als enige uitzondering op de samenstellingen met bessen-. De n is favoriet en dat is zo gebleven: de samenstellingen met bes worden in de Van Dale van 1950 nog steeds met een n geschreven; alleen is naar analogie van de besseboom nu ook de bessenstruik van zijn n ontdaan.

Toen kwam het groene boekje. De samenstellers hebben hardhandig ingegrepen. Woorden als bessensap en paardenhaar uit de toenmalige Van Dale zijn van hun n ontdaan en een eiken meubel is gemaakt van eikehout. Zelfs als het gaat om woorden waarin een n het op-elkaar-stoten van de klinkers vermijdt, zoals kippenei, mag niet van de dogmatiek worden afgeweken. Vanaf 1954 leggen luizen luizeëieren.

De hoofdregel in het groene boekje is een nieuw element in de taal. De n wordt geschrapt tenzij het eerste zelfstandig naamwoord van het samengestelde woord noodzakelijk de gedachte aan een meervoud opwekt. Er is een belangrijke uitzondering: de n mag blijven als het eerste woord van de samenstelling een persoonsnaam is. Zo wordt de eigenaar van de klerenzaak gespaard voor een pijnlijke vernedering. De spelling van boerendochter zou op grond van de hoofdregel moeten worden verklaard uit onvermoede seksuele gebruiken in de agrarische wereld, maar wordt door de uitzonderingsregel gerehabiliteerd. De introductie van deze dogmatiek was vragen om moeilijkheden. Hoe vermijden we bijvoorbeeld dat we de Koninginnedag en de Regentesselaan moeten omdopen? Heel eenvoudig: we maken weer een regel: bij persoonsnamen wordt de n weer niet geschreven als het eerste woord vrouwelijk is en duidelijk één persoon aanduidt. De Koninginnedag is gered, maar de oude vertrouwde koninginnesoep mag alleen nog maar koninginnensoep met n heten.

Het resultaat? Mensenhuid blijft met een n, in dierenhuid is de n geschrapt. Mannenmoed blijft, leeuwenmoed wordt leeuwemoed. Ook zal het wel altijd een mysterie blijven waarom men bessesap en bessestruik voorschrijft naast bessenjenever en bessenwijn. Hier blijkt ook duidelijk de zwakte van de meervoudsregel: men zou bij de laatste twee woorden niet om een meervoudsvorm heen kunnen, maar bij citroenjenever en appelwijn kan dat blijkbaar wel. En moet je nu een woord als platenwinkel handhaven op grond van een kunstmatige regel die door het woord boekwinkel wordt gelogenstraft of omdat het gewoon een goed en algemeen aanvaard woord is? Er zijn natuurlijk in de loop der jaren wel verstandiger dingen gezegd. In de Schrijfwijzer van de Staatsuitgeverij wordt het hele probleem van de verbindings-n een schijnprobleem voor taalmuggenzifters genoemd. De meervoudsregel wordt daar niet gevolgd en de n ter voorkoming van botsende klinkers in kippenei wordt in ere hersteld. De auteurs van de Herziene Woordenlijst die in 1990 verscheen hadden aan die kritiek geen boodschap. Ze maakten de zaak alleen nog maar ingewikkelder. Dat blijkt als je al bladerend stuit op het woord paardengebit. Het heeft een verbindings-n! Van een meervoud kan hier geen sprake zijn. Misschien zijn taalbobo's paardenliefhebbers, denk je dan. Aangezien een paard in tegenstelling tot andere dieren een hoofd en benen heeft, zal het woord paard wel horen tot de persoonsnamen. Je kijkt ook wel even gek als je ziet dat billekoek wordt veranderd in billenkoek - hoewel, je raakt inderdaad altijd twee billen.

De motivering voor al dit fraais is onwaarschijnlijker dan men denkt. In de toelichting wordt gesuggereerd dat de oude regel wordt gehandhaafd: liefst geen n en dat zou dan moeten betekenen dat de n in paardengebit verboden is. Maar weggestopt in de inleiding staat in bedekte termen bijna het omgekeerde. Voor nieuwe ingangen wordt zo veel mogelijk gezocht naar analogie met bestaande woorden, tenzij er bij de taalgebruiker twijfel bestaat over de schrijfwijze. In dat geval is er een nieuwe regel: geen keuzevrijheid, geen meerderheidsbesluit, maar altijd een n als het eerste woord van de samenstelling een meervoud heeft op n. Die twijfel werd onderzocht aan de hand van gegevens van de Taalbank. Voor enkele woorden, waar er overigens niet één nieuwe samenstelling is, heeft men in een piepklein aantal publikaties nagegaan hoe vaak het in de ene of andere vorm voorkomt. Een enkele score: bessensap met n wint het met 10-4 van het bessesap uit de eerste druk van het groene boekje, maar het woord zonder n wordt gehandhaafd. Fluitekruid wint met 10-1 van fluitenkruid. Er was maar één auteur die het onwoord uit de oude versie van het groene boekje had gekozen. De motteballen winnen met 24-8 van dezelfde ballen met een n.

Toch worden een bessesap en fluitenkruid gehandhaafd. Men wilde blijkbaar niet aan een meerderheidsbesluit of een keuzevrijheid. Maar pas op: de nieuwe regel, waarbij niet de verwijzing naar een meervoud, maar het bestaan van een meervoud op n bepalend is, geldt alleen voor zogenaamde nieuwe samenstellingen. Men heeft blijkbaar voor de laatste groep woorden de hopeloze strijd tegen de verbindings-n opgegeven, maar niet de moed gehad de in 1954 gemaakte fouten te herstellen. Wel heeft men, waarschijnlijk om zoveel mogelijk ennetjes in ere te herstellen, niet zo erg goed gezocht naar analogieën; ook is het begrip nieuwe samenstelling wat vreemd geïnterpreteerd. Daarom zouden woorden als motteballen, billekoek en flessebier, allemaal woorden die nog zonder n voorkwamen in de grote Van Dale van 1961, volgens de Herziene Woordenlijst ineens met een n worden geschreven.

De regel dat er niet wordt getornd aan woorden die al in het oorspronkelijke boekje stonden, heeft vermakelijke gevolgen. Het woord schattebout blijft geschreven zonder n, omdat het al in de eerste druk stond. Snoezepoes is een nieuwe ingang en voor de samenstellers blijkbaar een nieuw probleemwoord zonder bestaande analogieën, de hemel mag weten waarom. Het krijgt dus een n opgedrongen, hoewel mensen die minder problemen hebben met snoezepoezen waarschijnlijk nooit op het idee zouden komen het met een n te schrijven. Snoezenpoes dus. Het woord zonnecollector mag ongewijzigd voortbestaan, niet omdat het een logisch en probleemloos woord is dat door geen zinnig mens met een n zou worden versierd, maar omdat het meervoud van de zon zo weinig frequent voorkomt...Je moet er niet aan denken dat deze regels serieus bedoeld waren om te worden ingevoerd. Als u zou willen weten hoe kurke(n)trekker moet worden geschreven, zou u moeten nagaan of het in de oorspronkelijke of de herziene uitgave staat. In het eerste geval zou het zonder n omdat je er maar één kurk tegelijk mee kunt trekken en anders moet het met een n. Reden: een woord moet met een n als de analogie met bestaande woorden aan de aandacht van de opstellers van de herziene woordenlijst is ontsnapt.

Ik heb mij beperkt tot de verbindings-n, niet om de discussie over de Herziene woordenlijst te heropenen, maar om te illustreren wat er gebeurt als te goede naam en faam bekende taalkundigen proberen een soort spellingsdogmatiek in te voeren. Er zijn natuurlijk wel meer voorbeelden. Een geval apart wordt gevormd door wetenschappelijke termen. In het groene boekje en de herziene lijst wordt oxide nog steeds met een y geschreven. Noch de opstellers van deze boekjes, noch de redactie van de vroegere drukken van Van Dale hadden een boodschap aan de normcommissies voor wetenschappelijke terminologie. De samenstellers van de laatste Van Dale hebben overigens voor dit geval een onwaarschijnlijk onzinnige oplossing gevonden: gewone mensen schrijven oxyde, vakmensen oxide. Eerst een voldoende voor scheikunde, dan mag je oxide met een i schrijven. Wel een idee overigens: het groene boekje schrijft fluitenkruid voor; zou men in serieuze publikaties als de Grote Winkler Prins gewoon fluitekruid mogen blijven schrijven?

Het zou beter zijn als we de chaotische regelgeving vervangen door eenvoudiger regels en een grotere keuzevrijheid voor een grote groep woorden. Er zijn schoolvoorbeelden waar niemand aan durft te komen, zoals distilleren naast destilleren en litteratuur naast literatuur. Als dat kan, is het niet erg ook voor de groep woorden waartoe paardehaar hoort een verschil in voorkeur tussen taalgebruikers te aanvaarden en toe te staan. Met respect voor bestaande vormen moeten de taalhervormers de moed hebben de draad weer op te nemen waar die lag voor 1954. De niet-ingeburgerde vondsten uit het groene boekje zijn gewilde instinkers in taalprogramma's waar de correcte spelling van woorden de inzet is en dat is een teken aan de wand. Niks meervoud. Geef mij maar gewoon bessensap, snoezepoes, net als altijd. Want de natuur is sterker dan de leer.

Foto: In de vergaderzaal van de Eerste Kamer werd op 15 december 1991 de finale met dertig deelnemers uit Nederland en België gehouden van het Groot Dictee der Nederlandse Taal (foto Anefo)