SCHRIJVEN MET EEN SIX-SHOOTER; Hoe journalistiek en misdaad samen volwassen werden

Damon Runyon. A Life door Jimmy Breslin 410 blz., Ticknor & Fields 1991, f 59,40 ISBN 0 89919 984 4

Low Life. Lures and Snares of Old New York door Luc Sante 414 blz., geïll., Farrar Straus & Giroux 1991, f 62,70

Damon Runyon zat in Lindy's Bar met Jay Fagan, een Broadway-impresario die een aardig showtje met een kalkoen op rolschaatsen had lopen. De stemming was somber, want de rolschaatsende kalkoen trok weinig publiek, hoewel je zoiets toch niet vaak zag. Fagan had nu zelf maar, zo vertrouwde hij Runyon toe, de Amerikaanse "Society for the Prevention of Cruelty to Animals' laten bestoken met telefoontjes dat er op Broadway een dier met rolschaatsen werd gemarteld. Misschien haalde de show zo de krant. Ze zwegen weer. Runyon schreef in zijn notitieboekje.

Damon Runyon zat in Chicago in de zaal waar de legendarische boksers Joe Dempsey en Gene Tunney het tegen elkaar zouden opnemen. Runyons vriend Al Capone kwam de zaal binnen. Hij liep vreemd, ""alsof hij gaat trouwen', zeiden sommigen. Al Capone had bij het balletgenie George Balanchine les genomen in "hoe kom ik een zaal binnen'. De bokswedstrijd zelf liet Capone deze avond koud. Hij was vervuld van maar één ding: de melodie van Gershwins Rhapsody in Blue, die hij Runyons maîtresse gedurende de bokswedstrijd van begin tot eind voorneuriede. Na afloop - Tunney won - gaf Capone een ontvangst. Luid de Rhapsody neuriënd stond hij zijn gasten te begroeten: zijn gorilla's deinden op de maat mee. Runyon schreef in zijn notitieboekje.

Het zijn idiote details, maar om zulke ervaringen en observaties heeft een hele generatie Amerikaanse journalisten een Damon Runyon willen zijn. Vertrouwd zijn met de onderbuik van het grotestadsmilieu; vertrouweling zijn van criminelen, politici, nachtclubartiesten en impresario's, categorieën die vanzelfsprekend in elkaar over liepen. Zelf ook een character zijn zonder hetzelfde als zij te zijn: dat was het ideaal. ""Dronken verslaggevers die in de Chicago River staan te piesen als het licht wordt... Nachten op het politiebureau... luisteren naar Back of the Yards, gezongen door een blinde bariton met glazen ogen... dat was zo'n beetje het idee,' schreef journalist Tom Wolfe ter inleiding van de anth-ologie The New Journalism. Damon Runyon belichaamde dat ideaal.

FOLKLORE

De fascinatie van de journalistiek door de zelfkant in de eerste helft van deze eeuw is een deel van de Amerikaanse folklore geworden. "Muckraking'-journalisten als Jacob Riis, Lincoln Steffens, Ida Tarbell en Upton Sinclair, die sociale misstanden blootlegden, zijn maar één kant van deze medaille. De algemene journalistieke obsessie met "het lekkere verhaal' is zeker een andere kant, maar dat verklaart nog niet genoeg. Door alles heen klinkt heimwee naar de tijd dat journalistiek in Amerika nog niet aan conventies was gebonden en zelf behoorde bij de onderwereld en bohème.

Tot ver in de twintigste eeuw was de inhoud van de meeste Amerikaanse kranten eerder een produkt van de fantasie dan van nijvere verslaggeving, en bij de vrije pers hoorde automatisch de epitheta "corrupt' en "hard drinking'. Vechtpartijen ter redactie waren heel gewoon; ik herinner me niet meer in welke journalistenmemoires ik het las, maar één zin is mij altijd bijgebleven: ""He felled the city editor with a single blow to the belly.' Sinds Damon Runyon kennen de Amerikanen voor de types die deze wereld van saloons, bordelen en redactieburelen bevolken, de aanduiding "Runyonesque'.

De droge synopsis van Runyons leven bevat nauwelijks de ingrediënten van een legendarische figuur. Vijfendertig jaar lang, tot zijn dood in 1946, werkte hij als sportverslaggever en sportcolumnist voor de New York American (sinds de jaren dertig Journal-American). Het was het type krant waar aankomend journalisten werden geïnstrueerd met de frase: ""The public is interested in just three things: blood, money, and the female organ of sexual intercourse.' Zijn er nog vragen?

Dit vlaggeschip van de dagbladvloot van persmagnaat William Randolph Hearst is nu alweer bijna dertig jaar geleden onbetreurd gezonken, en het heeft het meeste van Runyons journalistieke proza in de diepte meegenomen. Maar veel van wat deze journalist in zijn aantekenboekjes opschreef, is nooit in "zijn' krant gekomen. Zijn faam dankt Runyon aan zijn tot korte verhalen omgewerkte schetsen van "het milieu' die hij in allerlei tijdschriften publiceerde. Een bundeling daarvan, onder de titel Guys & Dolls, werd in 1948 bewerkt tot de gelijknamige musical, die een enorm succes werd (en nu in Nederlandse bewerking tot 26 januari te zien is in de Kleine Komedie te Amsterdam).

ONKREUKBAAR

Hoewel Runyon altijd onberispelijke kostuums droeg, wat in de vooroorlogse krantenwereld van New York als hèt teken van omkoopbaarheid werd gezien, gold hij onder zijn collega's als onkreukbaar. Toch voelde hij zich als een magneet tot de zelfkant aangetrokken. Nette mensen vond hij vervelend. Het ging hem niet om "ruwe bolster-blanke pit'-romantiek. Revolvers dienden niet om mee te dreigen. Er knalt dan ook menig schot in de biografie die Jimmy Breslin over Runyon schreef.

Het is eigenlijk verbazingwekkend dat deze biografie nu pas is verschenen. Of er misschien eerdere zijn geschreven, valt niet uit Breslins boek op te maken. Damon Runyon. A Life bevat namelijk geen bibliografie, geen bronnenlijst, geen noten en zelfs geen register. We hebben hier bij mijn weten te maken met de eerste biografie die volgens de "New Journalism'-methode is geschreven.

In de jaren zestig begon een aantal journalisten, onder wie Tom Wolfe en Jimmy Breslin, een nieuwe journalistieke techniek te hanteren, die was afgeleid van het romanprocédé: veel dialoog; veel monoloque intérieur; geen pretentie van objectiviteit en distantie, maar juist het omgekeerde. De verteller komt heel persoonlijk in het verhaal voor.

Breslin, van oorsprong net als Runyon een sportverslaggever, pionierde in "New Journalism' toen hij in de nu ook al overleden New York Herald Tribune een dagelijkse column had. 's Ochtends meldde hij zich bij de nieuwsdienst voor een "klus'. Breslin "coverde' dan de moord, de brand of de rechtzaak die hij had opgekregen, als een gewone verslaggever. Alleen schreef hij er geen feitelijk verslag over, maar een kort verhaal, waarin hijzelf nadrukkelijk figureerde. De enige overeenkomst tussen de klassieke verslaggeverij en "New Journalism' is - of hoort te zijn - dat de feiten kloppen.

Juist de toetsing aan dit criterium heeft de beoefenaren van "New Journalism' altijd veel kritiek opgeleverd. Het waarheidsgehalte van dialogen is al een probleem als de verslaggever er niet zelf bij stond, om van monoloque intérieur nog maar te zwijgen. Tegen het wantrouwen dat de dikke duim intens is geraadpleegd, kan een notenapparaat wel eens helpen, maar Jimmy Breslin beschouwde zichzelf bij het vervaardigen van deze biografie als een journalist - als de reïncarnatie van Damon Runyon.

TOUGH GUYS

Dat Breslin affiniteit met Runyon voelt, is begrijpelijk. Beiden zijn beroemd geworden met een geraffineerde mengeling van fictie en journalistiek. Alletwee vonden ze hun inspiratie in het ruige leven van de grote stad en portretteerden ze tough guys. Ook anderen was decennia geleden al de overeenkomst tussen de twee journalisten opgevallen. Tom Wolfe schrijft dat Breslin in de jaren zestig wegens zij ongekamde uiterlijk de bijnaam droeg van "Runyon met een uitkering'. Toch, ook al zijn Breslins literaire kwaliteiten nu bijna net zo legendarisch als die van zijn grote voorbeeld, het ontslaat hem bij het schrijven van een serieus bedoeld boek niet van de plicht zijn bronnen te noemen.

Ook de andere kenmerken van "New Journalism' roepen trouwens bezwaren op. De vele dialogen in de tekst moeten de lezer het gevoel geven "erbij te zijn', maar de zo overgebrachte informatie staat niet in verhouding tot de ruimte die al dat gepraat in beslag neemt. Neem dit telefoongesprek tussen Runyon en de telefoniste van zijn krant.

""New York Journal and American.'

""Cora?'

""Yes.'

""Runyon.'

""What's up with you?'

""The young woman that called the other day.'

""Oh, you mean "Up from Mexico'.'

""Cora, I don't want her driving me into an asylum. If she calls, take a message. But don't tell her where I am and don't look for me with the message. I'll get it when I get it. You know.'

""You can't have her on the phone with you all day.'

""You got it right.'

Breslin heeft twaalf regels nodig om te vertellen dat Runyon de telefoniste vroeg iemand die zou kunnen opbellen, niet te vertellen waar hij uithing. De voortdurende herhaling van dit procédé geeft de lezer het gevoel in een auto te zitten waarvan de motor bij het optrekken telkens afslaat.

Op deze manier is wel een levendig en onconventioneel boek ontstaan, vol verrassende wendingen. Maar dat is ten koste gegaan van de coherentie. Sommige aspecten van Runyons levensverhaal waarover lezers van biografieën meestal degelijk geïnformeerd willen worden, zoals 's mans karakter, zijn in Breslins collage zoekgeraakt. Ik heb de indruk gekregen - maar een ander zal dat wellicht anders zien - dat Runyon een tamelijk chagrijnige, gesloten figuur moet zijn geweest. Zelden liet hij emoties, van welke aard dan ook, blijken. Een eigenschap die hij kan hebben geërfd van zijn vader Alfred, die volgens Breslin ""barely talked to him about anything more personal than the weather, and he wasn't around to do that so often.'

Alfred Runyan (hij spelde zijn naam met een "a') was ook journalist, en niet alleen dat. Hij was ook de zetter, de drukker, de advertentieverkoper en de directeur van de Manhattan Enterprise, een krantje in Manhattan - Manhattan, Kansas, wel te verstaan. Daar werd Damon in 1880 geboren als enige broer van drie zussen. De Manhattan Enterprise ging na een paar jaar failliet. Damons moeder stierf aan tbc toen hij acht jaar was, en zijn zussen werden bij grootouders ondergebracht. Damon bleef bij zijn vader.

Samen zwierven ze door het Midden-Westen, bivakkerend in logementen of huurkamers in de stadjes waar vader Runyan, inmiddels een zware alcoholist, zich kon verhuren als zetter bij het plaatselijke krantje. Damon schooierde veel bij nacht en ontij op straat, waar hij al jong kennis maakte met het echte Wilde Westen. Daar werd zijn idee van mannelijk gedrag voor altijd gevormd. De echte man in het Wilde Westen, zo leerde hij, hield van roken, drinken, vechten en vuurwapens. Vrouwen waren er voor seks en sokken stoppen. Alle leerstof bracht Runyon in praktijk tot de uiterste consequentie.

GEHEELONTHOUDER

Op zijn tiende was hij al kettingroker, hij zou aan keelkanker sterven. Dagelijks goot hij zich vol whisky, hoewel hij er niet tegen kon. De drank maakte van hem een met messen zwaaiende psychopaat, die interieurs kort en klein sloeg. Toen hij in de twintig was, werd hem duidelijk dat hij net als zijn vader in de goot zou eindigen als hij met drinken zou doorgaan. Van de ene dag op de andere raakte hij geen glas whisky meer aan. Wel besefte hij, later, dat zijn prozawerk over het milieu van de saloons sterk aan sfeer zou inboeten als het kennelijk door een geheelonthouder werd geschreven. In zijn stukken liet hij dan ook altijd - net als Carmiggelt! - de suggestie doorklinken dat hij zich net zo vaak liet inschenken als degenen over wie hij schreef. In werkelijkheid dronk hij uitsluitend koffie, maar dan in astronomische hoeveelheden: tien koppen alleen al bij het ontbijt was het minimum. En dat ging zo door tot vijf uur in de volgende ochtend. Zijn liefde voor vechten en vuurwapens is al gedocumenteerd. Over de seks komen wij nog te spreken.

Al tamelijk jong trad Ruynon in de voetsporen van zijn vader door bij dagbladen in het Midden-Westen te gaan werken als verslaggever. Door bemiddeling van een vriend kreeg hij begin 1911 een baan als sportverslaggever bij Hearsts American in New York.

Sport was toen in de eerste en vrijwel enige plaats baseball; boksen kwam er later bij. Runyon levensritme werd bepaald door het baseballseizoen en in het bijzonder door de New York Giants. Dat liet hem tijd genoeg voor zijn eigenlijke hartstocht, de omgang met misdadigers. Toen iemand hem waarschuwde, ""Don't go near Tenth Avenue, they got a lot of killers there', wist hij niet hoe snel hij zich daarheen moest begeven om eindelijk eens interessante mensen te ontmoeten.

Meteen wist Runyon vriendschap aan te knopen met de in Engeland geboren beroepsgangster Owney "Shake Hands with the Devil' Madden. Hij zou later zijn faam vestigen als leider van een dranksmokkelsyndicaat ten tijde van de drooglegging en als de ontdekker van zulk jong talent als de latere mafia-coryfeeën Charles "Lucky' Luciano en Meyer Lansky. Madden was de eerste niet-racistische gangster van New York: hij begreep dat het samenbrengen van crimineel talent uit de verschillende etnische groepen in de immigrantensmeltkroes New York een geweldig potentieel kon opleveren.

Dank zij Madden verliep Runyons introductie in "het milieu' voorspoedig. Een gemis in Breslins boek is dat hij niet uitlegt hoe dat milieu in elkaar zat en hoe het kwam dat politici, kunstenaars, journalisten, hoeren en criminelen 's avonds schouder aan schouder aan de bar stonden en kennelijk zoveel gemeenschappelijke belangen hadden. Het toeval wil dat gelijktijdig met Damon Runyon. A Life een volkomen ander boek is verschenen, dat de leemten die Breslin laat, wonderbaarlijk opvult.

HISTORISCH HANDWERK

De Belgische (!) free-lance journalist Luc Sante, die al jaren in New York woont, heeft in zijn Low Life geen enkele poging tot "New Journalism' ondernomen. Toch leest ook zijn boek plezierig door de afwezigheid van gewichtigdoenerij en zijn grote aandacht voor de anekdote. Sante beoefent het eerlijke historische handwerk: op basis van historische bronnen probeert hij een reconstructie te maken van de groei van de onderwereld van New York in de vorige eeuw. De oorspong daarvan was een "onderwereld' in een andere betekenis: de wereld van de armen, de "have-nots', de "losers'. Wat New York onder de wereldsteden uniek maakte, was de aankomst van miljoenen immigranten uit Europa. Daarvan bleven er tallozen, gedwongen door geldgebrek of gebrek aan kennis en durf in de grote stad hangen om er de verschillende etnische getto's te bevolken. Zij vormden samen een gemakkelijke prooi voor huis-jesmelkers, bordeelhouders, "card sharks' en straatrovers die op de nieuwe, hulpeloze onderklasse afkwamen als vliegen op de stroop. Veel van deze profiteurs waren zelf immigranten.

De grootste verdienste van Sante's boek vind ik dan ook dat hij aannemelijk maakt hoezeer prostitutie en criminaliteit voor de berooide nieuwkomers de enige mogelijkheid waren om nog iets van hun leven te maken. Daarbij was enorme haast geboden. De "short cut to happiness' moest worden gevonden voordat men krepeerde en voordat de volgende scheepsladingen van nog armere concurrenten voet aan wal zetten.

Deze haast verklaart de ongelooflijke creativiteit en geconcentreerde energie die bij het ontwikkelen van alle vormen van misdaad en geëxploiteerde ontucht in New York aan de dag werd gelegd. ""Al in 1880 werd er gezegd,' schrijft Sante, ""dat je op de hoek van Broadway en Houston Street [toen het centrum van de stad] een geweer kon afschieten naar alle kanten zonder een eerlijk mens te raken.' Niet het palet aan criminele activiteiten was bijzonder, maar de gedrevenheid waarmee elke vorm naar nieuwe toppen van perfectie werd gejaagd. Machines om vals geld te maken, werden in de kranten aangeboden (uiteraard werkten ze niet, maar dat merkten de kopers pas na aanschaf). Huurmoordenaars en beroepsmishandelaars adverteerden met hun diensten en tarieven (""fatal shooting $ 500; non-fatal shooting $ 100').

In New York wemelde het medio vorige eeuw van de etablissementen die de bevrediging van alle menselijke behoeften - drank, seks, amusement, kansspel - onder één dak offreerden. De gasten werden er routinematig en haast industrieel "verwerkt' tot en met het climactisch vertrek: bedwelmd door obers die scheef liepen van de barbituraten ("knock-out drops'), beroofd, vermoord, en geloosd. Soms letterlijk, want er waren tenten zoals het beruchte Fourth Ward Hotel, met speciale "lijkendeuren' waarlangs stoffelijke overschotten rechtstreeks en discreet in de east River konden worden gedumpt. Waar dat niet kon, werden de lichamen volgens arrangement door de politie opgehaald.

De corruptie was algemeen omdat iedereen, tot de burgemeester toe, haast had om aan de ruif te komen. Ethische normen hinderden de ontplooiing van het individu alleen maar. Menige burgemeester werd gekozen wegens het beleidsvoornemen "To Hell With Reform!'. Sante verhaalt van groepen tramconducteurs die met elkaar slaags raakten om het recht de passagiers te rollen.

Zo was de kongsie tussen gangsters, cafébazen en politici ontstaan waarbinnen journalisten als Runyon in hun element waren. Door de drooglegging in 1920 voelde hij de plezierige druk op de ketel alleen nog maar toenemen. Drinken in een illegale kroeg, een "speakeasy', was ineens een spannende afleiding voor de massa's geworden. Volgens Breslin telde Manhattan al een paar maanden na het begin van de drooglegging vijftienduizend "speakeasies', vijfduizend meer dan er vroeger gelegenheden met vergunning waren geweest. Bendes hadden hun handen vol gekregen met het aanslepen en distribueren van de verboden drank en het bewaken van hun lucratieve territoria.

DISCIPLINE

Het drinkende publiek wilde worden geamuseerd: zangers, cabarets en varieté beleefden gouden tijden. Runyon ook. Elke nacht was hij na het tikken van zijn stuk voor de krant te vinden in de buurt rond Broadway ter hoogte van Times Square, waar toen het hart van het echte leven klopte. Hij bouwde er hechte vriendschappen op met "pillars of society' als Jimmy Walker, de meest corrupte burgemeester die New York ooit heeft gehad, Al Capone, droogleggingskoning "Dutch' Schultz, "Lucky' Luciano. Maar hoogst zelden kwam hij voor de dageraad thuis. Zijn vrouw en zijn twee kinderen zagen hem nauwelijks; wanneer hij thuis èn wakker was, moesten ze hun mond houden.

Het duurde bijna twintig jaar sinds zijn aankomst in New York voordat hij eindelijk de discipline kon opbrengen zich geregeld af te zonderen om eindelijk eens de schetsen uit het rauwe leven die almaar door zijn hoofd spookten - en waarvoor hij jarenlang aantekeningen had gemaakt - op te schrijven. Hij stuurde ze naar bladen als Cosmopolitan, Collier's en American Mercury, bladen die hem voor zijn eerste verhaal vijfhonderd en voor zijn derde verhaal, midden in de Depressie, vijfduizend dollar betaalden. Zijn verhalen stonden er tussen het werk van Ernest Hemingway, Scott Fitzgerald, William Saroyan en John Dos Passos. Zijn stukken werden gelezen omdat ze de brave burgers van bijvoorbeeld Manhattan, Kansas een smakelijke doorkijk gaven in de spelonken van het andere Manhattan.

Runyon was een "big shot' geworden, die zich, omringd door ja-knikkers, door het nachtleven bewoog als was hij zelf Al Capone. Gewone mensen dorsten hem niet meer aan te spreken. Op de bruiloft van zijn dochter Mary kwam hij niet; te weinig interessant. Hollywood had bij hem aangeklopt, eerst om zijn verhalen te mogen verfilmen - Shirley Temple debuteerde in de rolprent Little Miss Marker, gebaseerd op een stuk van Runyon in Collier's - later om hem films te laten schrijven en produceren. Hij kocht een huis in Hollywood en kwam nooit meer thuis. Zijn vrouw Ellen dronk zich dood.

PANCHO VILLA

Runyon zat er niet mee; hij had al jaren een vaste vriendin, Patrice Gridier, een blonde schoonheid die bijna dertig jaar jonger was dan hijzelf. Hij had haar ontmoet op een reportagereis naar de Mexicaanse grens om over de Mexicaanse rebel Pancho Villa te schrijven. Ze was toen zes jaar en wees. Het kind was hem opgevallen omdat het zo blond was. In een opwelling had hij de nonnen van een weeshuis in El Paso geld gegeven om het meisje op te voeden. Jarenlang had hij niets van haar gehoord. Ineens stond ze voor zijn neus toen ze achttien was. Eerst was Runyon bang door haar te worden lastiggevallen - dat telefoontje met Cora van de American ging over Patrice - maar al na korte tijd werden ze minnaars. Runyon genoot ervan zich met de mooie, mysterieuze Patrice op Broadway te vertonen. Zij genoot ervan mythes over haarzelf te creëren door rond te vertellen dat ze van hoge Spaanse adel was en de grootste diamant ter wereld, een oud familiejuweel, in haar bezit had.

In de Tweede Wereldoorlog liet Patrice zich opleiden tot piloot om vliegtuigen naar het front te vliegen. Runyon en zij zagen elkaar jarenlang nauwelijks. Toen Runyon in 1945 wist dat hij keelkanker had, telegrafeerde hij haar dat ze moest komen. Ze schreef terug dat ze een ander had en dat hij kon barsten. Tot aan het moment dat hij in coma raakte en stierf, kon Runyon niet geloven dat ze niet meer zou komen.

Wat nu allang niet meer bestaat, is de romantische hang naar verstrengeling van journalistiek, bohème en onderwereld. De milieus in Amerika zijn hun eigen weg gegaan. De journalistiek beschouwt zichzelf als een volwassen beroep, met status, met professoren die het vak onderwijzen en met een strenge ethische code. En de onderwereld: wat is er nog aantrekkelijk aan Cosa Nostra Inc., en aan kinderen van twaalf die tussen de ruïnes van platgebrande huizen in crack handelen en in waanzin voorbijgangers doodschieten? Niemand drinkt trouwens meer.