Reinbert de Leeuw (51 jaar) studeerde aan het ...

Reinbert de Leeuw (51 jaar) studeerde aan het Muzieklyceum in Amsterdam en aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag waar hij compositie-onderricht kreeg van Kees van Baaren. Dit leidde tot werken voor orkest en kamermuziekensembles en tot het co-auteurschap van de opera's Reconstructie en Axel. De Leeuw is in het bijzonder geïnteresseerd in twintigste-eeuwse componisten en stromingen. Hij is dirigent van het Schönberg Ensemble. Morgen over een week, op 19 januari treedt hij op als dirigent van het Noordhollands Philharmonisch Orkest met op het programma onder meer Igor Stravinsky's "Orpheus' en "Fünf Orchesterlieder nach Ansichtskarten von Peter Altenberg' van Alban Berg. Vóór het concert zal de musicoloog Elmer Schönberger een inleiding op het programma houden.

Woensdag 1 januari

Sinds het instellen, vijf jaar geleden, van de Nieuwjaarsmatinee in Den Haag door het Schönberg Ensemble is 1 januari een werkdag geworden, behoren uit de hand gelopen Oudejaarsavonden tot het verleden en ontbreekt de tijd om aan de hand van goede voornemens het leven eindelijk op orde te brengen. Godzijdank weet Rosita (Schönberg Ensemble) wel orde te brengen in de betrekkelijk grote chaos die het organiseren van deze evenementen met zich meebrengt, zodat met een minimum aan misverstanden bij repetities en concert uiteindelijk meer dan 40 musici aanwezig zijn en zelfs op het laatste moment de hawaï-gitaar voor een kleine, maar ommisbare bijdrage aan Sjostakovitsj' Jazzsuite niet ontbreekt.

Leidraad van het programma is de invloed die componisten vooral in de jaren twintig en dertig ondergaan hebben van de jazz, of althans van muziek die tot dan toe niet in de concertzaal thuishoorde. Satie noemde zijn ballet Mercure zelf al circusmuziek en dat karakter wordt in een dwarse bewerking van Harrison Birtwistle zeer benadrukt. Behalve voorloper van zovele andere componisten blijkt Satie in Mercure ook duidelijk een voorloper van Willem Breuker te zijn. Naast Satie's Circus geven de baldadige melancholie van Aubade van Poulenc, het volmaakte commentaar van Stravinski op jazz en big band muziek in zijn Ragtime en Scherzo à la Russe, de zeer Russische ballroom-evocatie van Sjostakovitsj en de nog altijd buitengewoon aanstekelijke brutaliteit van Antheils Jazzsymfonie een mooi beeld van de (soms problematische) verhouding tussen "serieuze' en "lichte' muziek.

In dat beeld past zeer fraai het speciaal voor het Schönberg Ensemble geschreven stuk van Guus Janssen, Dodo's Groove dat deze middag in première gaat. Een zeer bizarre tekst (met de juiste onderkoeling gezongen door Lieuwe Visser) behandelt het uitsterven van de dodo's (iets waar de Nederlanders nog een beslissende hand in hebben gehad).

De muziek bij deze tekst is every inch Guus Janssen, volstrekt zonder franje, lakoniek, to the point. Er wordt tot op het laatst met animo gewerkt om Guus' muzikale portret van de dodo de juiste plastiek mee te geven. Het concert verloopt zeer geanimeerd, er wordt prima gespeeld, de zaal is voor het eerst in de nog korte traditie van onze Nieuwjaarsmatinee geheel uitverkocht, het publiek enthousiast. Na afloop blijken er veel aardige mensen aanwezig te zijn. Met enkele van de aardigste onder hen 's avonds in de stad gegeten.

Donderdag

De gebruikelijke kortstondige ochtend-ergernis als gevolg van het lezen van muziekrecensies in de Volkskrant wordt dit keer nog versterkt door een opkomend griepje. Mede door een algemene slapte willen de sprankelende gedachten die ik me voor vandaag had voorgenomen niet onmiddellijk in mij opkomen. Sinds de co-produktie met Theatergroep Amsterdam in twee muziektheaterstukken van Mauricio Kagel is bovendien de discipline enigszins in het ongerede geraakt, zodat ik in het geplande werkschema ernstig achterop ben geraakt.

Dit seizoen had ik, gezien de zeer vele verschillende produkties sowieso al in tweeën gesplitst. Een voordeel daarvan is dat sommige dingen veel langer geleden lijken dan zij in werkelijkheid zijn; het nadeel is dat alle stress en gedachten dat nu definitief zal blijken dat alles op een misverstand berust, die normaal vooral het begin van een seizoen zo onaangenaam maken, nu in volle hevigheid terugkeren.

's Middags in de IJsbreker een kleine, maar zeer terechte hommage aan Nico Schuyt ter gelegenheid van zijn 70-ste verjaardag. Behalve componist was Nico vele jaren lang de grote man van muziekdocumentatiecentrum en uitgeverij Donemus (in de wandel werd hij dan ook "Jan Donemus' genoemd) en bovendien bestuurder en conflictbezweerder in het Genootschap van Nederlandse Componisten en onvermoeibaar pleitbezorger van het Fonds (voor de scheppende toonkunst), waarvan de uiteindelijke bevalling zonder hem ongetwijfeld nog veel moeilijker geweest zou zijn. Herinneringen met een gemengd karakter aan de jaren dat ik Nico van zeer nabij heb meegemaakt, de jaren waarin door het erbarmelijke beleid van de toenmalige directeur en bestuur een voortijdig einde kwam aan Nico's werkzaamheden bij Donemus (met als gevolg daar weer van jarenlange slepende conflicten tussen Donemus en de Nederlandse componisten).

Marja Bon en Gert Hommerson spelen Nico's Trois Pièces, waarvan Maarten Bon en ik tien jaar geleden in het Holland Festival de première hebben gegeven, een concert dat voor mij vooral onvergetelijk is gebleven door de bijdrage van Willem Breuker, die ingehuurd was om een korte solo op de saxofoon bij te dragen aan Louis Andriessens Ittrospezione voor twee piano's (wat gezien de moeilijkheidsgraad van Louis' partituur voor ons al hinderlijk genoeg was). In plaats van een bescheiden aftocht na zijn solo, zodat wij het werk verder ongestoord zouden kunnen beëindigen, liet Willem zich onaangekondigd in een zeer naturel gespeeld handgemeen door een van de suppoosten van het Concertgebouw van het podium verwijderen (""Mijnheer, wat denkt u wel, dit is een Holland-Festivalavond''), terwijl Maarten en ik met panische hoofdbewegingen de zwaar gesyncopeerde 3/8 maat op de rails probeerden te houden.

Ook deze middag blijkt duidelijk dat niet iedereen een begenadigd spreker is, maar Misha Mengelberg weet in ieder geval op uitstekende wijze in twee minuten de wereldgeschiedenis en de plaats van Nico daarin samen te vatten. 's Avonds aan de hand van Sjostakovitsj' 15e symfonie me verbaasd over hoe veelbetekenend leegte kan zijn.

Vrijdag

In een wonderlijk precieze droom hoorde ik vannacht een mij onbekend muziekstuk van Mauricio Kagel. In mijn droom verbaasde ik mij erover dat het een compositie van Kagel was, omdat het in niets op de muziek van Kagel leek. Bij het wakker worden herinnerde ik mij in een kort moment van volmaakte helderheid tot in de kleinste details de muziek die vervolgens vervluchtigde tot een paar vage aanduidingen van voornamelijk overmatige kwarten. Bij de ochtendpost een brief van Kagel.

Een tamelijk zeldzame dag zonder repetities, zonder afspraken, zeer nodig ter voorbereiding van de komende twee weken, waarin ik twee programma's dirigeer bij het Noordhollands Philharmonisch Orkest. Die programma's bestaan uit stukken waarvan de meeste een bijzondere betekenis voor mij hebben zonder dat ik ze overigens ooit met orkest gedaan heb. Dat veroorzaakt iedere keer weer die mengeling van spanning en onzekerheid, waarvan een onmiskenbaar verslavende werking uitgaat. De sensatie van voor de eerste keer de desolate wereld van Sjostakovitsj' laatste symfonie vorm te geven, zonder ook maar de geringste garantie dat zoiets lukt.

Vergeleken met piano studeren heeft het leren van orkestpartituren een hoge mate van abstractie. Niets geeft een groter gevoel van tevredenheid dan 's ochtends om tien uur bij het piano studeren een vingerzetting te veranderen, waardoor plotseling een bepaalde passage precies klinkt zoals ik die in gedachte had. Het gevoel van zekerheid dat je op een gegeven moment bij iedere noot weet wat je wilt en - althans in de huiskamer - dat ook weet te realiseren. Die ambachtelijke kant ontbreekt bijna volledig bij het bestuderen van orkestpartituren. Je kan een stuk analyseren, zo goed of zo kwaad als het gaat op de piano doorspelen, een tempo fixeren, frasering aanbrengen, er naar streven om geen detail aan de aandacht te laten ontsnappen, maar uiteindelijk moet je het voornamelijk doen met zoiets totaal abstracts als voorstellingsvermogen. Je maakt je een voorstelling van hoe iets moet klinken, maar werkelijk horen doe je het pas op de eerste orkestrepetitie. De maat slaan kan (bijna) iedereen. Het ambacht van dirigeren is dan ook voornamelijk het trainen van voorstellingsvermogen.

Er bestaan partituren waarvan het in ieder geval zeer moeilijk is zich een voorstelling te maken hoe die tot stand zijn gekomen. Tot die categorie behoren de Fünf Orchesterlieder nach Ansichtskarten-Texten von Peter Altenberg van Alban Berg die, evenals zijn vioolconcert en de orkestbewerking die Theo Verbey van de pianosonate opus 1 heeft gemaakt, de komende weken op het programma staan. Hoe het mogelijk is dat iemand, die tot dan toe nog nimmer voor orkest geschreven had, met zo'n trefzekerheid nooit gehoorde mogelijkheden van het orkest weet te realiseren, blijft ook na bijna tachtig jaar volstrekt raadselachtig. Het lijkt alsof bij deze in klank gevatte hallucinatie het orkest vanaf de eerste maat van het eerste lied geheel opnieuw wordt uitgevonden.

Het legendarische schandaal dat ontstond na de eerste uitvoering van twee van deze liederen in 1913 (waarbij de scheld- en vechtpartijen tot in de rechtszaal werden uitgevochten) schokte Berg in zo hevige mate dat hij zijn verdere leven niets meer met zijn Altenberg-opus te maken wilde hebben. De première van de volledige cyclus vond pas 17 jaar na zijn dood plaats. Na tachtig jaar wordt deze verbluffende muziek nog steeds zelden uitgevoerd, na tachtig jaar is zij nog steeds volledig "modern', nieuw, onnavolgbaar. Om weer enigszins af te kicken heb ik me vervolgens verdiept in de strenge ascese van Stravinsky's Orpheus.

Zaterdag

Afspraak met Vera Beths ter voorbereiding van het Vioolconcert van Alban Berg. Door haar jarenlange ervaring met dit vioolconcert heeft Vera een verontrustende voorsprong. Om voor de eerste keer een dergelijk monument uit de 20e-eeuwse muziekgeschiedenis te dirigeren, een stuk met een niet geringe uitvoeringstraditie, moet ik een aanzienlijke hoeveelheid schroom overwinnen. Hopelijk is Vera's grote vertrouwdheid met het concert daarbij behulpzaam. Het leven zou niettemin een hoop gemakkelijker worden als alle eerste uitvoeringen overgeslagen konden worden.

Zelden of nooit beluister ik voor ik begin te repeteren opnames van de stukken die ik doe. Dit keer een uitzondering gemaakt voor de opname van de uitvoering van de violist aan wie het stuk is opgedragen (Louis Krasner), begeleid onder leiding van Anton Webern. Historische opname, maar daarmee ook een "authentieke' uitvoering? Veel klinkt nu eigenlijk tamelijk hulpeloos, hoewel de liefde van Webern (en de solist) voor Bergs partituur overal hoorbaar blijft.

's Avonds het Nieuwjaarsprogramma met kleine wijziging in Enschede. Zelfs de klank van de naam Enschede is voor mij veranderd sinds daar enkele jaren geleden het prachtig gelukte nieuwe Muziekcentrum geopend is. Goede concertzalen behoren in het muziekleven toch wel tot de eerste levensbehoeften, zowel voor musici als voor het publiek. Je zal toch maar in Eindhoven wonen en dan ook nog aangewezen zijn op het Philips Ontspanningscentrum in de wetenschap dat er in de gehele provincie Brabant geen behoorlijke concertzaal te vinden is. Hopelijk spreken wij de naam Eindhoven na de opening van het nieuwe Muziekcentrum daar volgend jaar met minder weerzin uit.

Zondag

Ochtendconcert met verkorte versie van het Nieuwjaarsprogramma in Muziekcentrum Vredenburg. Wat een goede zaal (en niet te vergeten: een buitengewoon inventief management) kan veranderen, is in Utrecht inmiddels bewezen: van een muzikaal gesproken achtergebleven provincieplaats in tien jaar veranderd in een centrum dat zelfs internationaal de aandacht vraagt. Tot onze verrassing een geheel uitverkochte zaal. Marja speelt opnieuw een prachtige Aubade en een briljante Jazzsymfonie, waarbij ze zelfs aan een kortstondig (en voor haar zeer ongebruikelijk) uit de bocht vliegen in de jazzsymfonie nog grote allure weet te geven.

De rest van de dag in staat van toenemende zorgelijkheid doorgebracht, die mij zeer vertrouwd is aan de vooravond van de eerste repetitie van een nieuw programma. Voor zover muziekmaken het overwinnen van gêne en angst betekent, is dat bij mij wat het eerste betreft langzamerhand aardig gelukt (zeker sinds ik vorige maand met het Rotterdams Philharmonisch Orkest een enorme symfonie van Sofia Gubaidulina heb uitgevoerd, waarbij één deel geheel uit solo voor dirigent bestaat die de proporties van het stuk moet uitbeelden), maar in het tweede zit niet veel vooruitgang. Gelukkig heb ik met het Noordhollands Philharmonisch Orkest, waar ik vanaf morgen twee weken te gast ben, sinds Piet Veenstra daar artistiek adviseur is geworden, zeer goede banden en bewaar ik dierbare herinningen aan enkele bijzondere uitvoeringen (vorig jaar bijvoorbeeld nog van l'Ascension van Messiaen en de Sjostakovitsj-liederen met Jard van Nes.

Ter voorbereiding het boekje over Debussy's Prélude à l'après-midi d'un faune herlezen, waarin bovendien de partituur met onder meer Debussy's metronoom-aanwijzingen staat afgedrukt. In de door een leerling van Schönberg gemaakte transcriptie voor klein ensemble heb ik het stuk zeer vaak met het Schönberg Ensemble uitgevoerd, waarbij onze uitvoering op grond van de tempo-aanduidingen van Debussy ongeveer vier minuten korter dan de gemiddelde orkestversie is en dat is, gezien het feit dat het om een betrekkelijk kort stuk gaat, een waanzinning verschil. Inmiddels ben ik allergisch geworden voor het eindeloos vertragen, wachten en slepen in een modale orkestuitvoering, die Debussy's sublieme, meeslepend-lichtvoetige evocatie van een faun zo vaak in die van een zwaarlijvige gepensioneerde nachtclubdanser doet veranderen.

Maandag 6 januari

Op weg naar de eerste orkestrepetitie denk ik met enige weemoed aan de dirigenten die met een paar handjes vol symfonieën, die ze al vijftig jaar dirigeren, langs orkesten reizen, die die stukken al honderd jaar spelen. De repetitie verloopt in een gepaste afwisseling van concentratie en ontspanning soepeler dan ik verwacht had van een eerste kennismaking met de hier en daar zeer afgrondelijke wereld van Sjostakovitsj' laatste symfonie. In sommige gedeelten van het stuk voel ik mij nog lang niet zeker genoeg, wat wel weer ten koste zal gaan van enige nachtrust de komende tijd.

Thuis lang nagedacht over hoe de vereiste spanning tot stand moet komen in die passages van Sjostakovitsj' symfonie waarin zo onheilspellend weinig noten staan. 's Avonds een stapeltje partituren klaargelegd voor de programma's van de komende maand. Behalve het programma van een kortstondige tournee naar Italië met het Nederlands Kamerkoor met muziek van Messiaen en Via Crucis van Liszt bevat het nieuwe stapeltje zoals meestal stukken die ik nooit eerder gedaan heb, onder meer een nieuw werk van Louis Andriessen voor koor, de nieuwe compositie van Klaas de Vries, geïnspireerd op de Vers la flamme van Skrjabin, een speciaal voor het Schönberg Ensemble geschreven stuk van de Russische componist Woestin als onderdeel van het eerste concert uit de serie van het Schönberg Ensemble die in het bijzonder is gewijd aan de nieuwere Russische muziek.

Met de meeste spanning kijk ik daarbij uit naar de Compositie nr. 2 voor 8 contrabassen, piano en doodskist van Galina Oestwolskaja. De kennismaking met een aantal werken van deze als een kluizenares in Leningrad levende componiste is voor mij misschien wel de meest indringende van de laatste jaren geweest. Sinds meer dan 40 jaar werkt zij daar in een volstrekt isolement aan een hermetisch oeuvre, waarvan de als uit graniet gebeeldhouwde composities evenzovele onuitwisbare indrukken achterlaten.

Ik kan mij niet herinneren dat er ooit een seizoen voorbij is gegaan waarin ik niet op zijn minst een paar keer verrast, ontroerd, geschokt werd door muziek waarvan ik tot op dat moment het bestaan niet kende, of die simpelweg tot op dat moment niet bestond. Daarom staat me dat gemelijke, verveelde toontje ook zo tegen waarmee in Nederland in de regel over muziek geschreven wordt, alsof je je nergens meer over zou kunnen verwonderen, alsof alles al gehoord en gezien is. Soms hoor je zelfs een gerenommeerde componist klagelijk beweren dat de moderne muziek in zijn totaliteit net zo lelijk klinkt als de Bijlmer er uitziet of megalomane onzin van soortgelijke strekking.

Eén van de weinige dingen in het leven waarover bij mij geen twijfel bestaat, is dat er ook dit jaar weer onherroepelijke, mooie en spannende muziek geschreven zal worden. Wat dat betreft was Guus Janssens Dodo's Groove een hoopvol begin.