OP WEG NAAR HET HART VAN MONGOLIË

The Mission of Friar William of Rubruck. His Journey to the Court of the Great Khan Möngke 1253-1255 Vertaald en bewerkt door Peter Jackson en David Morgan 286 blz., The Hakluyt Society 1990, f 64,45 ISBN 0 904180 29 8

Het wereldrijk van Djenghis Khan strekte zich uit van Korea tot de Dnjestr-rivier in Zuidwest-Rusland en van het Baikalmeer in Centraal-Azië tot de Tigris in het Nabije Oosten. Nadat dit enorme gebied onder één heerser was verenigd, ontstonden intensieve contacten tussen volkeren die elkaar voorheen vijandig gezind waren of elkaar zelfs helemaal niet kenden. Maar na de veroveringen werd de in het wetboek van Djenghis Khan verankerde discipline ook in de onderworpen gebieden ingevoerd.

Deze discipline was hard, maar bracht een grote mate van veiligheid. En die was nodig voor het goed functioneren van de berichten- en postpaardendienst, een van de belangrijkste instellingen van het Mongoolse wereldrijk. Deze dienst kwam niet alleen een snelle militaire en bestuurlijke berichtgeving ten goede. Ook de toenemende stroom reizigers profiteerde ervan. Een bont gezelschap van gezanten, kooplieden en missionarissen begon zich langs de ontsloten verbindingen tussen Centraal- en Oost-Azië met het Midden-Oosten en Europa te bewegen.

Tussen 1237 en 1242 trokken de Mongolen Oost-Europa binnen en bereikten zelfs de Oder en de Dalmatische kust. Dat veroorzaakte in de Europese landen veel onrust. Paus Innocentius IV besloot een poging te doen de Mongolen ertoe te brengen met Europa in vrede te leven. In 1245 zond hij een aantal franciscaners en dominicaners als gezant naar de gevreesde heersers in Centraal-Azië. Van hen was de franciscaner monnik Johan van Plano Carpini de belangrijkste. Over zijn reis naar de Mongoolse hoofdstad Karakorum in de jaren tussen 1245 en 1247 heeft deze monnik een waardevol verslag samengesteld.

Ook de Franse koning Lodewijk IX ("de Heilige') was geïnteresseerd in de Mongolen. Vooral in verband met de door hem voorgenomen kruistocht, want hij hoopte van hen steun te krijgen voor zijn strijd tegen de islam. Nadat Lodewijk in september 1248 op Cyprus was gearriveerd, zond hij de dominicaan André van Longjumeau naar de Mongoolse hoofdstad. In 1251 keerde deze met zijn gezelschap weer terug met een brief van de Mongoolse heerser voor de Franse koning. De hooghartige toon in deze brief schokte Lodewijk in hoge mate. Spijt als haren op zijn hoofd had hij van zijn besluit een gezantschap gezonden te hebben. Bovendien was de kruistocht in een catastrofe geëindigd, hetgeen zijn stemming ook al niet bevorderde.

Daarom was het pas na lang aarzelen dat Lodewijk toestemming gaf voor de reis van de man die later het belangrijkste verslag over een reis naar het Mongoolse imperium zou schrijven: de uit Frans Vlaanderen afkomstige franciscaan Willem van Rubrouck. Zijn reisjournaal is enige tijd geleden verschenen in een nieuwe wetenschappelijke en geannoteerde uitgave in het Engels (zodat zijn naam als Rubruck gespeld staat).

"BARBAREN'

De koning zag de reis van Longjumeau als een grote mislukking, en daarom kreeg Willem van Rubrouck alleen toestemming à titre personnel te gaan. Als eenvoudig missionaris mocht hij reizen, niet als koninklijk gezant. Helaas weten we over deze monnik alleen datgene wat hij in zijn eigen reisjournaal over zichzelf vertelt, en dat is niet overmatig veel.

Rubrouck is naar alle waarschijnlijkheid op de hoogte geweest van de ervaringen van Johan van Plano Carpini en André van Longjumeau. Begin 1253 vertrok hij uit Palestina om naar Constantinopel te reizen, alwaar hij zijn reisgezelschap (dat uit vijf man bestond) completeerde. Via de Krim ging hij naar de hoofdstad van het Mongoolse khanaat in Zuid-Rusland aan de benedenloop van de Wolga. Aldaar ontmoette hij voor het eerst de Mongolen, en dat moet een bijzondere gewaarwording zijn geweest. Rubrouck schreef: ""Toen wij bij deze barbaren aankwamen, leek het me of ik een andere wereld binnentrad.''

Voor de verdere reis naar Centraal Azië, die op 16 september 1253 begon, kreeg het gezelschap een escorte mee. Rubrouck volgde een van de routes van de brichten- en postpaardendienst: ten noorden van de Kaspische zee, het Aralmeer, het Balkasjmeer en via het Altaigebergte naar Mongolië. Zij arriveerden op 27 december 1253 in het hoofdkwartier van de Grote Khan, na een zware reis van drieënhalve maand.

Rubrouck maakte zijn opwachting bij Möngke (een kleinzoon van Djenghis Khan), en die vroeg hem wat het doel van zijn reis was. De monnik antwoordde: ""Wij vragen u, die van God grote macht in de wereld heeft gekregen, toestemming om in Uw rijk te blijven om voor U, Uw vrouwen en kinderen God te kunnen dienen. Wij hebben geen goud, zilver of edelstenen om die aan U te schenken. Wij kunnen alleen voor U bidden. Mogen wij hier blijven tot de kou voorbij is?''

De Mongolen waren echter achterdochtig en bleven Rubrouck lastigvallen over het doel van zijn reis. Na verloop van tijd was hij het gezeur beu en voegde zijn gastheren toe: ""Het is de plicht van onze godsdienst om het evangelie aan alle mensen te verkondigen. Daarom werd ik, toen ik de faam van de Mongolen hoorde, vervuld met de wens naar hen toe te gaan.''

Eerst op Palmzondag 5 april 1254 kwam Willem van Rubrouck in de Mongoolse hoofdstad Karakorum aan. Zijn beschrijving van de stad is de enige die bestaat en daarom alleen al van enorme betekenis. Dat het bovendien een redelijk nauwkeurige reportage is, bleek toen in 1948/49 archeologen opgravingen deden in het gebied van de nederzetting.

THEOLOGISCH DISPUUT

Overigens kwam Rubrouck in zekere zin als geroepen. Ten tijde van zijn reis was Noord-China tot aan de Yang-tze rivier reeds in handen van de Mongolen. De Grote Khan kreeg daarom te maken met de steeds weer oplaaiende ruzies tussen de boeddhisten en de taoïsten. Het Mongoolse regime stelde zich ten opzichte van de verschillende godsdiensten bijzonder tolerant op. Möngke probeerde voor de onaangenaamheden een oplossing te vinden en organiseerde daarom in 1254 een discussie tussen de twee religies. Het zal voor de Grote Khan, zelf een sjamaan, geen eenvoudige taak zijn geweest een conclusie te trekken, want de moslims en de Nestoriaanse christenen mengden zich eveneens in dit dispuut. Willem van Rubrouck kwam als vertegenwoordiger van de christenen, via een tolk, rijkelijk aan het woord.

In Karakorum ontmoette Rubrouck bovendien een aantal Europeanen die na de veldtocht in Oost-Europa als gevangenen naar Mongolië waren meegevoerd. De meesten van hen dienden aan het hof van de Grote Khan. In het gezelschap bevond zich een jonge Franse vrouw die inmiddels getrouwd was met een Rus en verder de Franse goudsmit Bouchier. Deze ontfermde zich over een metgezel van Rubrouck, een franciscaan die in verband met zijn slechte gezondheidstoestand niet in staat was de terugreis te maken.

Die terugreis had overigens nog heel wat voeten in de aarde. Pas na veel moeite kreeg Rubrouck toestemming huiswaarts te keren. Vermoedelijk eerst op 9 juli 1254 vertrok hij uit Karakorum. Terug volgde hij dezelfde route als op de heenweg, en op 15 september bereikten hij weer de benedenloop van de Wolga.

Een voor de franciscaner monnik minder prettig, maar voor de geschiedschrijving bijzonder gelukkig feit was dat Rubrouck niet wist dat Lodewijk IX zich toen reeds in Frankrijk bevond. In de veronderstelling dat de koning nog in het Heilige Land was, reisde hij via de westkust van de Kaspische zee en dwars door Anatolië naar Cyprus waar hij op 16 juni 1255 aankwam.

NUCHTERE KIJK

Tot zijn grote teleurstelling vernam hij dat hij geen toestemming kreeg de koning persoonlijk verslag uit te brengen. Hij moest in Acco lessen geven en voor Lodewijk een reisverslag op schrift stellen. Zijn teleurstelling was begrijpelijk, maar de hem gegeven opdracht heeft ons een reisverhaal van onschatbare waarde geschonken. Met zijn nuchtere kijk op de dingen en zijn onomwonden schrijfstijl weet Rubrouck alles wat hij heeft gezien en meegemaakt op duidelijke wijze tot leven te brengen. Juist daarom is zijn boek een van de belangrijkste bronnen voor de kennis van het middeleeuwse Rusland en Centraal Azië.

Rubroucks verhaal is bewaard gebleven in vijf manuscripten uit de 13e, de 14e en 15e eeuw. Vier daarvan bevinden zich in Engeland en een in Leiden. In de 20e eeuw zijn moderne vertalingen van dit reisverslag verschenen. Naast een Duitse en een Franse uitgave, zijn er drie eerdere in de Engelse taal.

Deze vierde vertaling in het Engels van de professoren Jackson en Morgan steekt met kop en schouder boven de voorgaande edities uit. Het chronologisch overzicht van de missie van Willem van Rubrouck en vier duidelijke kaarten bieden een voortreffelijke steun voor het volgen van het reisverslag. De inleiding geeft behalve een goed overzicht van de geschiedenis van het Mongoolse wereldrijk tot 1255, nauwkeurige verwijzingen naar hetgeen Rubrouck daarover in zijn verslag vertelt.

Niet bekend