Oost-Timor

In zijn artikel "Hoogspel Soeharto tegen leger' in NRC Handelsblad van 3 januari geeft Dirk Vlasblom aan, dat de repercussies van het bloedbad in Oost-Timor van 12 november jongstleden Indonesië intern verdelen. Vlasblom noemt (21 november) de toen geverifieerde feiten een "hachelijk smalle basis voor sanctiepolitiek'.

Het is zeer wel mogelijk dat de commissie Djaelani pas door dreiging en druk van buitenlandse sancties tot stand kwam. Dat die druk van invloedrijke landen als Australië, de VS en Canada komt is prima. Van de Nederlandse pressie om nieuwe financiële hulp op te schorten zal Indonesië minder onder de indruk zijn. Het is ons koloniale verleden dat voor ons een hachelijk smalle basis voor sanctiepolitiek vormt. De Tweede Kamer en minister Pronk hadden dit moeten beseffen toen zij op 21 november besloten tot uitstel van nieuwe hulpprogramma's.

Kamerleden en ministers met historisch besef weten dat Nederland wel het laatste land is, dat moreel het recht heeft Indonesië in deze de les te lezen. Ondanks het vele groots dat in Nederlands-Indië werd verricht, ging er vroeger nog wel eens iets mis, en vaak bij militaire operaties.

Zomaar drie zwarte bladzijden uit de geschiedenis, elk moordpartijen zonder weerga: (1) J. P. Coen liet in 1621 om economische redenen ongeveer 14.000 Bandanezen vermoorden. In Hoorn richtte men een standbeeld voor hem op. (2) In oktober 1740 werden op last van de advocaat-fiscaal te Batavia vijfhonderd Chinezen stuk voor stuk op de binnenplaats van het Stadhuis afgeslacht. (3) Op 14 juni 1904 doodde de marechaussee onder leiding van luit.-kol. G.C.E. van Daalen in de kampong Koeto Reh (Alaslanden, Atjeh) binnen anderhalf uur 313 mannen, 189 vrouwen en 59 kinderen.

Ook voor Oost-Timor geldt, dat iedere onschuldige dode of gewonde er een te veel is. Maar is het niet gepaster als Nederland Indonesië volwassen behandelt, als een vriend die men zijn feilen toont? Zeker nu het land over deze zaak intern verdeeld is, verdient president Suharto Nederlandse steun in de politieke machtsstrijd die aan het Dili-drama ten grondslag blijkt te liggen. Het is voor Pronk de hoogste tijd de Nederlandse sancties op te heffen.

Bij het opschorten van nieuwe ontwikkelingssamenwerkingsprojecten worden niet Indonesische soldaten getroffen, maar alweer onschuldigen in de Indonesische samenleving. Waarom in voorkomende gevallen niet een wapenembargo voorgesteld, of een VN-resolutie waarbij ieder land zich verplicht nimmer soldaten tegen burgers in te zetten?