OERNEIGINGEN

The Rise and Fall of the Third Chimpanzee door Jared Diamond 360 blz., Hutchinson Radius 1991, f 66,45 ISBN 0 09 174268 4

The Rise and Fall of the Third Chimpanzee is een boek in het twijfelachtige, maar populaire genre "waar komt de mens vandaan en waar gaat hij naar toe.' Volgens Jared Diamond staat de huidige mens op het punt zichzelf de das om te doen, al is zijn toestand niet hopeloos. Inzicht in de biologische achtergronden van zijn gedrag, zijn "animal heritage', en kennis van de fouten die menselijke culturen voor hem naar de ondergang hebben gevoerd, kunnen hem helpen zulke fouten te vermijden en destructieve "oerneigingen' te bedwingen.

Het is gebruikelijk in dit genre om menselijk gedrag met dat van dieren in verband te brengen. Ze hoeven niet per se verwant te zijn met de mens, een oppervlakkige gelijkenis is genoeg. Welk dier men kiest, hangt af van het betoog en omdat het dierenrijk groot is vindt men altijd een dier dat bij het betoog past. Dat procédé geeft de schrijvers een enorme vrijheid en gezegd moet worden dat zij die doorgaans ten volle benutten.

Dat geldt ook voor Jared Diamond in The Rise and Fall of the Third Chimpanzee. Zo betoogt Diamond dat kunst weliswaar te boek staat als een typische cultuuruiting van de mens, maar niettemin wel degelijk een biologische achtergrond, dus een genetische basis, heeft. Het geval wil namelijk dat het mannetje van de prieelvogel een schitterend versierd bouwwerk maakt (kunst!) om vrouwtjes te lokken. De kwaliteit van het bouwwerk is een maat voor de kwaliteit van het genetisch materiaal dat het mannetje te bieden heeft. Wie mocht menen dat kunst bij mensen een andere functie vervult vergist zich: ""op verschillende manieren helpt kunst ons te overleven en onze genen door te geven. Ten eerste brengt kunst de eigenaar vaak direct seksueel voordeel. Ten tweede, en veel belangrijker, brengt kunst de eigenaar indirect voordelen. Kunst is een snelle indicator van status, die zowel bij dieren als mensen de sleutel is tot het verwerven van voedsel, land en sexpartners.' Hoe het precies zit legt Diamond niet uit, maar vermoedelijk hebben armlastige kunstenaars inferieure genen en leidt aanleg voor kunstbezit tot welstand. Dat de naaste verwanten van de mens, de twee soorten chimpansees, in het wild geen kunst beoefenen ligt voor de hand: ze hebben het gewoon te druk. ""Als ze meer vrije tijd hadden plus de middelen om verf te maken, dan zouden ze schilderen.' Toon maar eens aan dat het niet zo is, heeft Diamond waarschijnlijk gedacht. Je zou er om kunnen lachen, als hij niet pretendeerde serieuze wetenschap te bedrijven.

Hoewel de mens een geweldig succes is - geen andere soort heeft zich zo wijd verspreid en is zo talrijk - heeft hij volgens Diamond twee nare trekjes die zijn ondergang kunnen bewerkstelligen. Hij is geneigd medemensen om zeep te helpen en zijn omgeving te vernietigen. Diamond geeft voorbeelden van volkerenmoorden en milieurampen uit het verre en recente verleden, maar wat hij erover te zeggen heeft is oninteressant. Toch hoeft de lezer zich dankzij de adembenemende redeneertrant van de schrijver geen ogenblik te vervelen. Waarom bijvoorbeeld houden derden zich zo vaak afzijdig bij genocide? Omdat de overlevenden later zulke vreselijke verhalen vertellen.

De slotconclusie is na alles wat Diamond overhoop en door elkaar heeft gehaald van een verrassende eenvoud: ""Wij zijn de enigen die onze problemen veroorzaken, dus het ligt geheel binnen onze macht om ze op te lossen.'