Océ tart concurrentie uit Japan

Océ-van der Grinten maakt geavanceerde kopieerapparaten. Het bedrijf heeft succes: blakende winstcijfers en warme belangstelling van de financiële wereld.

Trots leidt dr. J.V.H. Pennings, voorzitter van de raad van bestuur van het kopieerconcern Océ-van der Grinten bezoekers rond langs de indrukwekkende gebouwencomplexen, die in luttele jaren uit de grond zijn gestampt. Pal aan de oevers van de Venlose Maas bevinden zich de onderzoeksgebouwen en assemblagehallen, waar goed opgeleide werknemers de succesvolle, uiterst complexe high volume copiers in elkaar zetten. “Zoiets kunnen de Japanners, met hun geautomatiseerde massaproduktie, helemaal niet.”

Océ van der Grinten, dat honderd jaar geleden begon als producent van boterkleursel, is de enige nog onafhankelijke ontwerper en producent van kopieerapparaten, printers en plotters in Europa. Het bedrijf heeft zich gespecialiseerd in de produktie van high volume copiers, kopieermachines voor het bedrijfsleven die grote aantallen kopieën kunnen afleveren bij een zeer hoge kwaliteit. Het Venlose bedrijf verkoopt nog wel eenvoudige low volume kopieermachines, maar maakt die niet zelf. Dat laat Océ over aan Japanse toeleveranciers, die goedkoper kunnen produceren.

Bestuuursvoorzitter Pennings omschrijft de fabriek als een “veredelde assemblagehal”. De onderdelen voor de high tech kopieermachines van Océ worden geleverd door hooggespecialiseerde toeleveranciers, “die vaak leveren aan andere grote bedrijven in deze regio, zoals DAF en Nedcar (het vroegere Volvo Car)”. De toegevoegde waarde wordt vooral geleverd door de grote investeringen in onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe machines.

“Tien procent van de Nederlandse afgestudeerden in voor ons relevante studierichtingen als mechanica, fysica, elektronica en informatica solliciteert bij Océ. We zijn populair als werkgever”, stelt Pennings vast. De onderzoekscomplexen in Venlo herbergen nu duizend van de circa 1.200 onderzoekers, op een totaal aantal werknemers (over de hele wereld) van zo'n 12.000. Océ besteedt nu zeven procent van de omzet aan onderzoek en ontwikkeling en wil dit percentage nu handhaven.

Een imposante ontvangsthal, die enkele jaren geleden in gebruik werd genomen, onderstreept het optimisme van het Limburgse concern. Na jaren van forse investeringen zegt Océ nu eindelijk de vruchten te kunnen plukken. Ook beleggers zien de toekomst van Océ rooskleurig in: Met een koerswinst van 87 procent tot ruim 63 gulden was Océ in 1991 de op één na (KLM) grootste stijger op de Amsterdamse effectenbeurs. Het aandeel staat bij veel banken en commissionairs op de kooplijst.

Pennings, die een jaar geleden ir. H. Bodt opvolgde die naar Philips vertrok, kon in zijn nieuwjaarstoespraak gisteren de werknemers vertellen dat het concern er in geslaagd is in het afgelopen boekjaar, dat eindigde op 30 november, een netto winst van meer dan honderd miljoen gulden te boeken, na de 85,7 miljoen in 1990. De omzet bedroeg in 1991 2,6 miljard gulden (de Amerikaanse dochter Bruning geconsolideerd), tegen 2,3 miljard in 1990. Océ verwacht dat de winst in 1992 verder zal stijgen indien de economische omstandigheden “ongeveer gelijk zal blijven”.

De resultaatontwikkeling van Océ steekt gunstig af bij die van de twee belangrijkste concurrenten, de grote Amerikaanse concerns Xerox en Kodak, die bij de laatste winstcijfers een verlies van respectievelijk tien en zeventien procent lieten zien. Beide bedrijven lijden sterk onder de economische recessie in de VS. Drs. H.J.A.F. Meertens, de financiële man in de driekoppige raad van bestuur: “We waren niet de eerste met onze medium- en high volume copiers, maar we zijn wel de beste.”

Pag.14:

"Kantoor zonder papier is gelukkig illusie gebleken'

Océ-van der Grinten heeft sedert twee jaar vooral veel succes met zeer grote en snelle kopieermachines. Het bedrijf groeit op de markt van hoog volume copiers drie tot vier keer sneller dan de gemiddelde concurrent. In Europa, waar Océ tachtig procent van de omzet boekt, heeft het Nederlandse bedrijf tien procent van de markt voor grote copiers in handen. Océ heeft daarbij alleen concurrentie te duchten van Xerox en Kodak.

Pennings: “Het aantal kopieermachines dat wij verkopen is niet gestegen, wel het aantal kopieën dat onze machines afleveren.” Op de kantoormarkt doen vooral de kopieermachines 2400 en 2500 het goed. “De kantoormarkt groeit mondiaal drie tot vier procent, terwijl wij qua kopieervolume dertien tot veertien procent groeien. We zijn dan ook vooral geïnteresseerd in opbrengst per kopie.”

In de zogenoemde tekenkamermarkt, die veel kleiner is dan de kantoormarkt, is Océ mondiaal marktleider. In Europa heeft Océ dertig procent van die markt in handen, in de VS na de acquisitie van Bruning, die in augustus werd afgerond, een kwart.

Océ voert de toevoegde waarde op door een complete financiering aan te bieden, waardoor het bedrijf steeds meer op een bank gaat lijken. In tegenstelling tot de Japanners realiseert Océ de helft van de omzet via service en financiële leasing. “Tien jaar geleden deden we nog nauwelijks iets aan leasing. Nu maken de rente-inkomsten uit financiële leases bijna dertig procent van ons bedrijfsresultaat uit”, zegt financiële man Meertens.

Kenners van de markt roepen al jaren dat Océ een zeer aantrekkelijke overnamekandidaat is voor een kapitaalkrachtig Japans concern dat graag toegang wil krijgen tot de technologie van de hoog volume copiers en het servicenetwerk. Océ is vooral aantrekkelijk als overnamekandidaat doordat het hoog volume segment een uitgebreid service netwerk vergt en dat missen de Japanners nog. De grote Japanse kopieermachines staan op het moment laag aangeschreven wat betreft kwaliteit en betrouwbaarheid.

Pennings zegt niet bang te zijn voor een overname. Hij heeft zijn hoop gevestigd op de beschermingsconstructie (preferente aandelen en prioriteitsaandelen) die rondom Océ is opgetrokken. Ook heeft Océ geen behoefte aan Japans geld. Pennings: “We hoeven niet in te gaan op een bod om alleen het geld. Overname door Xerox, Kodak of een Japans bedrijf zou vooral tot doublures leiden. Met onze marktaandelen zou men bovendien in problemen komen met de EG-kartelwetgeving. Daarnaast hebben Japanse bedrijven, die hoge aantallen willen produceren, een heel andere marktstrategie dan wij.”

De meldingsplicht voor grootaandeelhouders, die vanaf 1 februari van kracht wordt, zal Océ niet voor verrassingen stellen, zo meent de raad van bestuur. Desondanks weet financiële man Meertens maar een paar bezitters van de in totaal 15,2 miljoen uitstaande aandelen op te noemen: Nationale Nederlanden heeft vijf procent, de familie Van der Grinten eveneens vijf procent. Hij schat dat vijftig procent van de aandelen in buitenlandse (“vooral institutionele”) handen zit.

Eén andere reden voor het succes van Océ is dat de Nederlanders de Amerikaanse giganten sedert enkele jaren in hun eigen land beconcurreren. In de VS heeft Océ thans drie bedrijven: Arkwright, producent van high tech supplies en materialen voor printers en plotters, Bruning (tekenkamerapparatuur), dat in augustus vorig jaar werd overgenomen en tenslotte de kopieeractiviteiten. De twee laatste activiteiten zijn verenigd in Océ-USA. Van deze drie activiteiten zit alleen de laatste nog in de rode cijfers, maar deze zal volgens Pennings in de loop van dit jaar ook winst opleveren.

Océ wil op de Amerikaanse kantoormarkt groeien naar een marktaandeel van vier tot vijf procent. Het Nederlandse bedrijf kan daarbij nog meer overnamekandidaten gebuiken die actief zijn op de kantoormarkt. “We hebben de hele VS afgestruind, maar overnamekandidaten die voldoen aan onze kwaliteitseisen zijn er nauwelijks”, zegt Meertens. Hij acht samenwerking met Kodak of Xerox in de VS “uitgesloten, want onze produkten zijn te concurrerend”.

Het eigen vermogen van Océ, dat door de acquisities van de afgelopen jaren is geslonken tot 35 procent van het balanstotaal, is volgens Meertens ruim toereikend voor nieuwe overnames. “Wij handhaven een winstinhouding van tweederde, en een externe versterking van het eigen vermogen is niet nodig.”

Op de tekenmarkt, waarvoor Océ onder meer copiers maakt die grote bouwtekeningen kunnen reproduceren, zijn volgens Meertens na de overname van Bruning geen kwalitatief sterke overnamekandidaten meer te vinden. “In Europa hebben we al een marktaandeel van dertig procent. In de VS willen we 25 procent van de markt in handen krijgen.” Océ hoopt dat de samenwerking in de tekenkamermarkt met het Japanse concern KTA daarbij doorslaggevend zal zijn.

Een andere belangrijke reden voor de goede resultaatontwikkeling in 1991 is de beslissing geweest te stoppen met het 6000-systeem in de kantoorautomatisering, waarin jaren lang vele tientallen miljoenen guldens werden geïnvesteerd. Oc'e wilde zich met dit systeem op het brede terrein van kantoorautomatisering storten, maar uiteindelijk bleek dit te hoog gegrepen. De Limburgers beperken zich nu liever tot waar ze echt goed in zijn: hoogwaardige kopieermachines en printers.

Belangrijk bij de beslissing te stoppen met het 6000-project, dat ook opmaakfaciliteiten bevatte, was dat het systeem eigen Océ-standaarden hanteerde. “We moesten toegeven dat industrie-standaarden maatgevend waren, en dat we onze eigen standaard niet konden opdringen”, zegt Pennings nu.

Hij en Meertens ontkennen heftig dat de beslissing het 6000-systeem te laten vallen iets te maken heeft met plotselinge vertrek van de vorige topman, ir. H. Bodt, naar Philips.

Bodt trad per 1 december vorig jaar toe tot de Groepsraad van Philips en werd deze zomer benoemd tot directievoorzitter van Philips Consumentenprodukten, veruit de grootste divisie van het concern. Hij werd daarmee de opvolger van de huidige Philips-topman Timmer. “De beslissing het 6000-systeem te laten vallen werd genomen voor het vertrek van Bodt”, is alles wat Pennings erover kwijt wil.

Océ heeft met hulp van Economische Zaken tussen 1981 en 1986 de investeringen in R&D opgeschroefd van ruim drie procent naar ruim zes procent van de omzet, inmiddels zeven procent in 1991. Pennings: “Gezien de lange aanlooptijd van de toen in gang gezette technologisch complexe ontwikkelingen (minimaal vijf jaar voor dit soort apparaten) begint Oceé daarvan nu pas de vruchten te plukken. Océ is met dit percentage overigens geen uitschieter, want Kodak en Xerox besteden een even groot percentage aan R&D, bij een veel grotere omzet.

Océ kon zich na deze versterkingen in de eerste helft van de jaren tachtig richten op meer hoogwaardige machines. De onvermijdelijke Japanse bedrijven zoals Canon en Fuji rukten bij de kopieermachines ook op, maar beperken zich tot nu toe nog tot het zogenoemde laag en midden volume segement. Pennings: “Daar kwam bij dat de dollarkoers sedert die tijd dramatisch daalde, waardoor onze kostprijs verdubbelde. We moesten onze toegevoegde waarde sterk opvoeren.”

Daartoe deed Océ de afgelopen jaren forse investeringen. In de periode 1981 tot 1986 wisten de Limburgers van het ministerie van economische zaken subsidies en zogenoemde Technische Ontwikkelings kredieten (TOK) voor een bedrag van 200 miljoen gulden los te weken. Tegenover deze kredieten stond de verplichting van Oc'e hetzelfde bedrag te besteden. De ontwikkelingsstaf kon daardoor in die periode groeien van circa 500 tot 1.000 mensen (nu: 1.200).

De vermindering van technologische subsidies is een punt van zorg voor Pennings. Océ had de overheid enige tijd geleden gevraagd om nieuwe ontwikkelingskredieten ter grootte van 200 miljoen gulden, voor een periode van vier jaar. Maar het ministerie wilde niet verder gaan dan 25 miljoen gulden per jaar. “Eigenlijk zou er meer moeten gebeuren, gezien het belang dat men aan een bedrijf als het onze hecht en als men kijkt wat er in het buitenland gebeurt.”

Pennings wijst erop dat Océ 63 procent van de toegeleverde produkten betrekt van Nederlandse fabrikanten.

De ontwikkeling van een nieuwe machine kost volgens Pennings tussen vijftig en honderd miljoen gulden. “Maar desondanks zullen we ook zonder extra krediet erin slagen om elk jaar een nieuwe machine op de markt te brengen.”

Een kleurencopier voor kantoor maakt nog geen onderdeel uit van de nieuwe apparaten die Océ wil verkopen. Pennings verwacht dat de markt hiervoor voorlopig niet zal groeien door de hoge kosten per kopie. Bovendien is de kopieersnelheid nog laag en de kwaliteit gering. “We hebben wel de kennis hiervoor in huis.” Océ acht een kleurencopier alleen interessant als de techniek zo ver is dat het apparaat zowel in zwart/wit als in kleur kan kopieren in één procesgang.

Ook voor de langere termijn ziet Océ de toekomst gunstig in. De hoeveelheid papier die bedrijven verslinden neemt nog steeds fors toe. Zo ziet Pennings de markt voor medium volume printers in Europa de komende jaren groeien van drie miljard nu tot vijf miljard gulden in 1995. “De paperless office is gelukkig een illusie gebleken”, zegt de Océ-topman met een brede grijns.