Niet alle landen van de EG zullen Slovenië en Kroatië erkennen

BRUSSEL, 11 JAN. Erkenning van de voormalige Joegoslavische deelrepublieken door àlle EG-lidstaten volgende week is niet langer waarschijnlijk.

Alleen de Bondsrepubliek blijft vastbesloten in ieder geval Slovenië en Kroatië te erkennen. Andere lidstaten sturen aan op uitstel en zullen mogelijk extra garanties vragen van onder andere Kroatië.

Morgen of maandag verschijnt een kritisch evaluatierapport van de Franse jurist Robert Badinter, aan wie de EG om een beoordeling van de erkenningsaanvragen van de republieken heeft gevraagd. Dit bleek gisteravond na een bijeenkomst van ministers van buitenlandse zaken van de twaalf EG-landen.

De EG besloot ook om de economische sancties tegen Montenegro op te heffen, waardoor nu alleen nog tegen Servië strafmaatregelen gelden. Het opheffen van de sancties tegen Montenegro wordt officieel uitgelegd als beloning voor de constructieve houding tijdens de gisteren hervatte vredesconferentie. Maar officieus wordt erkend dat zo Servië diplomatiek verder wordt geïsoleerd.

De kritiek van de Franse president van het Constitutionele Hof, Badinter, zal zich vooral tegen Kroatië richten. Kroatië zou nog onvoldoende garanties bieden voor de bescherming van de etnische minderheden op zijn grondgebied. Daardoor voldoet het niet aan de normen die de Raad van ministers op 16 december als voorwaarden voor erkenning halverwege de maand januari formuleerde. De aanvraag van Bosnië-Herzegowina tot erkenning acht Badinter niet ontvankelijk omdat de Serven in deze republiek zich onafhankelijk hebben verklaard. De aanvraag wordt derhalve niet gesteund door de gehele bevolking. Servië is buiten beschouwing gebleven omdat het land geen aanvraag heeft ingediend.

Pag.4:

'Mogelijke uitweg voor Kroatie'

Ook over andere republieken maakt Badinter kritische kanttekeningen. De mededelingen over de inhoud van het nog geheime rapport werden gedaan door een EG-diplomaat, op voorwaarde van anonimiteit.

De Franse minister Dumas zei gisteren dat erkenning door de EG volgende week “met nuances en vertragingen” zou plaatshebben. De Britse minister Hurd zei dat het Verenigd Koninkrijk hooguit één republiek zou erkennen.

Minister Van den Broek zei dat een “mogelijke uitweg” voor Kroatië een politieke verklaring zou zijn waarin duidelijk de verplichting tot bescherming van de minderheden wordt gegarandeerd. Van den Broek zei ook te denken aan een vorm van wettelijk erkende "bijzondere autonomie' voor de enclaves van Serven binnen Kroatië. “Als tijdens de vredesconferentie de rechten van minderheden niet worden geregeld moet je vrezen dat de VN-vredesmacht tot in de eeuwigheid in Joegoslavië moet blijven; de strijd zou daar anders meteen weer ontbranden”. Daarom is de Britse conferentievoorzitter Lord Carrington er volgens Van den Broek “zeer op gebrand” om dat voor erkenning door de EG en voor stationering van VN-troepen te hebben vastgelegd.

Nederland spant zich er volgens Van den Broek voor in om met twaalf lidstaten gezamenlijk nog nadere voorwaarden te stellen aan die republieken die nog niet voldoen aan de EG-normen. Nog voor 15 januari zouden die toezeggingen door president Tudjman gedaan moeten worden, meent hij. Dit voorstel heeft echter niet de steun van de Bondsrepubliek, dat na het beginselbesluit van december meent dat erkenning verder een zaak is van de individuele lidstaten van de EG. Van den Broek zegt dat er dan echter “een kans verloren dreigt te gaan. Geen enkele lidstaat heeft principiële bezwaren tegen de erkenning van Kroatië, maar wenst de mensenrechten wel serieus te nemen, met name wegens de invloed die daarvan uitgaat op de conferentie van Carrington”.