Ik vond het prettig om honger te hebben, honger ...

Ik vond het prettig om honger te hebben, honger gaf me een tevreden gevoel.

Door af te zien van eten werd ik een beter mens, al bijna een heilige. Zodoende was ik deerlijk vermagerd en ernstig verbleekt. Voor deze speciale gelegenheid had ik me bovendien nog wat bleker laten schminken, terwijl ook het donker rond mijn ogen een beetje was aangezet. Nee, ik denk wel dat ik er behoorlijk terminaal uitzag, die avond.

We zaten met ons twaalven aan een ovalen tafel, mannen en vrouwen, jong en oud, blond en grijs, arm en rijk, dom en minder dom. Eén ding hadden we gemeen: we wisten allemaal dat we nog maar kort te leven hadden. Daarover zeiden we dingen die we nooit eerder hadden gezegd of misschien zelfs maar gedacht, dingen die je normaal gesproken zelfs in je dromen zou verzwijgen. Vreselijk openhartig waren we. Het leek wel een wedstrijd. Wie het vlugst zijn broek liet zakken.

Bij dit alles werden we aangemoedigd door een van de grootste persoonlijkheden van onze tijd, een vrouw met een caviasnuitje. Ze stelde steeds precies de goede vragen, ze trok steeds precies het goede gezicht. Verbazing, ontroering, ontzetting, pijn, ze kon het allemaal aan en ze had nog gevoel voor humor ook, want af en toe zei ze iets en dan begon ze hinnekend te lachen.

Insektachtige mannen zwermden om ons heen met camera's en geluidsapparatuur. Dit ging namelijk rechtstreeks naar alle huiskamers van Nederland en je kon je voorstellen dat het een fantastische show was - als je thuis in je luie stoel zat, een blozend glas pils in de hand, een gezonde bak borrelnootjes op tafel. Aangrijpend, schrijnend, ja zelfs leerzaam. De dood, postuleerde de vrouw met het caviasnuitje, treft immers iedereen.

Grote concurrentie ondervond ik van de grijze dame die recht tegenover me zat. Zij was ouder, vriendelijker, beschaafder dan ik. Ze had bij de vrouw met het caviasnuitje duidelijk een streepje voor. Telkens kreeg ze de bal toegespeeld. Haar troef was darmkanker.

""Soms'', vertelde die dame, ""heb ik het gevoel dat mijn omgeving het er eigenlijk moeilijker mee heeft dan ik. Mijn man, mijn kinderen, onze kennissen... hoe zal ik het zeggen, dat ik degene ben van wie troost en kracht wordt verwacht...''

""Terwijl je best eens zwak zou willen zijn'', veronderstelde de vrouw met het caviasnuitje.

""Maar dat geeft niet'', zei die dame.

""En het ergste is...'', zei ik.

""Ja?''

""Het ergste is de manier waarop ze je soms aankijken. Die blik van... nou ja, alsof ze denken dat je elk moment dood kunt neervallen. En dat zouden ze dan natuurlijk wel heel vervelend vinden, maar op een of andere manier toch ook... heel interessant. Je voelt dat ze dat weleens zouden willen meemaken.''

""Echt?''

""Echt! En zo keek jij ook, toen je je voor de uitzending aan ons kwam voorstellen.''

""Ik?''

""Ja.''

""Hemeltje. Dan ben ik dus geen haar beter dan een ander'', zei de vrouw met het caviasnuitje grinnekend. ""Maar dat wist ik eerlijk gezegd al.'' Ze schaterde het uit. God, wat een warmte! Maar het gevolg was wel, dat ze zich nu op mij concentreerde. Ik, die deze discussie tenslotte had opengebroken, die zulk prachtig, grensverleggend werk deed in Deze Week, kwam onbedreigd centraal te staan.

Tot slot werden we collectief geprezen voor onze moed, onze eerlijkheid. ""Ik dank jullie wel'', zei de vrouw met het caviasnuitje, deze weergaloze vakvrouw, welgemeend.

Na afloop kwam ze bij mij zitten en bij niemand anders. Waaruit viel op te maken dat ik aan het hoofd was gesteld van een compleet volksdeel, dat der stervenden.

(wordt vervolgd)