"Het wordt steeds moeilijker om hier in Nederland te blijven spelen'; "Over tien jaar zitten ze met een pistool op de tribune. Dan voetballen we in een kooi'; 'Ieder elftal heeft zo'n type nodig als ik. Iemand die een elftal goed kan laten spelen'

GERALD VANENBURG, Nederlands international en aanvoerder van PSV, speelt vanavond niet mee tegen Sparta. Zijn knieblessure is inmiddels allang weer hersteld, maar hij heeft geen haast om terug te komen. Eerst wil hij “voor 100 procent fit” zijn. “Voor de tweede fase van mijn carrière.” Bij voorkeur in het buitenland.

Gerald Vanenburg praat zoals hij voetbalt: impulsief, explosief, intuïtief. Anticiperend op elke mogelijke aanval. Klaar voor een snelle tegenactie. In korte, haastige zinnen antwoordt hij op vragen die nog niet voltooid zijn. Om zijn verklaringen steeds te besluiten met wat wel op een schot lijkt. Zinnen die doorvragen zinloos lijken te maken. “Daar heb ik geen moeite mee.” “Zo is het gewoon.” “Zover ben ik nu.”

Gerald Vanenburg is geen man van weidse bespiegelingen. Hij heeft niet de flair van een Gullit of het aplomb van een Van Basten. Maar hij heeft andere capaciteiten, belangrijker binnen de grasmat. Hij is misschien wel de enige spelbepalende rechtsbuiten ter wereld. Spelbrein en balvirtuoos tegelijk.

Tien jaar lang speelt hij al op topniveau in het Nederlands voetbal. Als zeventienjarige jongen maakte hij zijn debuut in het eerste elftal van Ajax. Vijf jaar later vertrok hij voor nog geen twee miljoen gulden naar PSV na een conflict met Johan Cruijff, de toenmalige trainer van Ajax. De machtsstrijd van twee straatjongens die beiden compromisloos zijn.

In zijn ruime Eindhovense woning - veel pastelkleuren, een zilveren en gouden schoen symmetrisch op het dressoir - zegt Vanenburg dat zijn plezier in het voetbal al die jaren alleen maar gegroeid is. “Een goal die je maakt. Een voorzet die aankomt. Drie spelers passeren. Maar ook als je iets geoefend hebt op de training en dat loopt in de wedstrijd. Het is gewoon fijn als je ergens heel erg goed in bent.”

Daar tegenover staan al die randverschijnselen waaraan hij zich steeds sterker ergert. Het geweld in en buiten de velden. “Van mensen die achterlijk zijn. Dat je niet eens normaal meer naar de spelersbus kunt lopen. Dat is toch bela-che-lijk.”

En dan de spreekkoren, de onterende leuzen, de suggestieve geluiden van sommige tribunebevolkers. “We gaan weer naar de Apenheul”, het apenpark, zegt hij tegen zijn vrouw als hij een uitwedstrijd moet spelen. Supporters begroeten hem bij voorkeur met sopraan-imitaties, verwijzend naar zijn falsetstem. “Puur op de persoon gericht”, weet Vanenburg. Als hij toevallig rasta-haar had gehad en een donkerder huidskleur - wegens zijn Surinaamse afkomst niet ondenkbaar - zouden ze oerwoudgeluiden maken bij zijn aanblik. “Ze proberen je te treffen waar ze kunnen. Hun doel is dat je uitgeschakeld wordt.”

“Natuurlijk laat je dat niet koud als ze je zo behandelen. Het raakt je altijd. Dat hoef je niet te verstoppen. Maar je wapent jezelf. Je voelt het steeds minder. Je kunt je een keer door een stel van die gekken uit de wedstrijd laten halen, dat kan twee of drie keer gebeuren. Maar dan moet het wel voorbij zijn. Ik denk dat ik dat al aardig heb geleerd.”

“De mensen verzieken het voetbal, ze helpen het voetbal naar de knoppen. Over tien jaar zitten ze met een pistool op de tribune. Dan voetballen we in een kooi omdat het anders te gevaarlijk is voor de spelers. Die kant gaat het op.”

“Eigenlijk zouden de spelers met zijn allen het veld moeten aflopen in zulke situaties. De scheidsrechter zou de wedstrijd moeten staken. En de KNVB zou zo bijdehand moeten zijn om de thuisclub ook nog twee punten in mindering te brengen. Moet je eens zien hoe snel het afgelopen is. Daar help je het voetbal mee. Niet door te doen alsof je neus bloedt. Maar de meeste spelers maken zich er niet zo druk om. Zolang zij er maar geen last van hebben. Supporters richten zich vooral op de vedettes, niet op de middelmaat. En er is veel middelmaat in Nederland.”

Vanenburg vindt dat er ook veel harder zou moeten worden opgetreden tegen doodschoppen en ander bruut geweld in het veld. Hij is nog steeds hevig verontwaardigd over de overtreding die Den Haag-speler Valken vorig seizoen april tegen hem beging. Bij die gelegenheid beschadigde hij zijn meniscus, een blessure waarvan hij nog altijd met de nasleep worstelt.

“Een tackle die te laat komt, dat kan gebeuren. Maar als iemand je bewust in elkaar schopt, echt bewust. Als de bal in de lucht is en iemand trapt je doelgericht van achter. Dan zou hij vijftien wedstrijden moeten krijgen. Dat is toch be-la-che-lijk. Op dat moment was het niet gek geweest als ik me had omgedraaid en hem vijf tanden uit zijn mond had geslagen. Ongelofelijk dat ik niet zo gereageerd heb. Want ik ben sportief maar wel agressief, hoor. Zulke dingen vergeet ik ook nooit.”

Vanenburg heeft een geheugen als een olifant voor kwetsuren, innerlijke en uitwendige. “Met figuren als Vanenburg en Rijkaard kun je de oorlog niet winnen.” Die uitspraak van de toenmalige Ajax-trainer De Mos is hij nooit vergeten. Net zomin als dat Cruijff hem zo nodig als ouderwetse rechtsbuiten wilde laten spelen. En dat Beenhakker hem tijdens het WK al in de rust van die allereerste wedstrijd tegen Egypte heeft gewisseld. En dat de vaderlandse pers zich op de dijen sloeg nadat hij van PSV een contract had gekregen voor het leven. Vanenburg als leider? Vanenburg als fundament van PSV?

In tien jaar Nederlands voetbal heeft hij al menige tik te verwerken gekregen. Hij zal er nooit aan wennen. Dat ze hem “naar beneden proberen te praten” als hij goed heeft gevoetbald. “Een klap voor hun kop moeten ze hebben.” Maar hij laat zich door tegenwerking en onrechtvaardige kritiek niet meer onderuit halen. Niet langdurig. “Ik haal er kracht uit. Elke keer kom ik sterker terug.”

Intussen weet hij wat hij waard is. Hij kent zijn eigen zwaktes maar ook zijn veerkracht. Dat verschaft hem een zekerheid en zelfvertrouwen, die in burgermansoren algauw naar hooghartigheid zweemt. “Ik heb er geen probleem meer mee wat men van mij vindt. Ik denk dat ik voetballend veel aan een elftal toe kan voegen, dat ik ook individueel een goeie actie in huis heb, en dat ik over een goeie trap beschik. Eigenlijk heeft ieder elftal zo'n type nodig als ik. Iemand die een elftal goed kan laten spelen. Er zijn er maar heel weinig die dat kunnen. Een paar jaar geleden had ik dat niet durven zeggen. Maar ik heb het wel gedacht.”

Volgens Vanenburg heerst er groot onbegrip over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Natuurlijk speelt hij anders dan acht, negen jaar geleden bij Ajax toen hele legioenen alleen maar naar de Meer kwamen om zich te vergapen aan zijn balcapriolen, zijn tikjes achter het standbeen om, zijn shuffle met de heupen. “Die eerste jaren ben je alleen maar bezig met jezelf. Als ik het veld in kwam, dan dacht ik: "wat zal ik vandaag eens voor leuks laten zien'. Dat heb je in je beginperiode: dan ben je onbevangen. Je doet waar je zin in hebt.”

“Maar op een gegeven moment houdt dat op. Omdat de tegenstanders je beter gaan kennen. Omdat ze een vaste man op je zetten. Dan ben je wel gedwongen om anders te spelen. Meer in dienst van het elftal. Met meer oog voor het spel.”

Vanenburg zegt dat al zijn passeerbewegingen, al zijn schijnbewegingen zijn ontstaan in zijn jongensjaren. “Ik kon uren in mijn eentje knallen tegen en muurtje. Je hebt niet zoveel nodig om veel te leren. Ik liep de hele dag met een bal onder mijn arm. Het ging gewoon vanzelf.” Later, zegt hij, heeft hij alleen maar bewegingen afgeleerd. “Je moet ook functioneel zijn. Maar ik denk dat de mensen nog altijd genoeg leuke acties van mij zien.”

“Pas bij PSV ben ik gaan voetballen, zoals ik ook al in de jeugd deed. Zoals ik altijd gewild heb. Als speler die overal kan spelen, die veel aan de bal is, die het voetbal verzorgt. Ik ben geen speler die ze een opdracht moeten geven. In vrijheid ben ik nuttigst voor een team.”

“Ik zet iedere wedstrijd wel drie, vier keer iemand vrij voor de keeper. Zeker als we thuis spelen. Daar heb ik net zo lekker gevoel bij als bij het maken van een doelpunt. En ik maak er nog genoeg om te weten hoe dat voelt. Ik ben ervan overtuigd dat als ik net zoals Romario alleen maar voor de goal zou spelen, ik er ook dertig in een jaar zou maken. Maar dan verliezen we ook meer wedstrijden. Ik ben niet een speler als Romario die wacht op zijn momenten en intussen veel stil staat. Ik heb een andere functie. Ik zorg dat er ruimte en snelheid ontstaat.”

Over de rol en positie van Romario wil hij verder niets zeggen. Dat vindt hij een taak van bestuursleden en trainers. Over de kritiek op coach Robson laat hij zich wel nadrukkelijk uit. Hij vindt het ongelofelijk dat de uitschakeling voor de Europa Cup en de serie gelijke spelen in de competitie op het conto van Robson worden geschreven. “Je bent niet goed bij je hoofd als je thuis bij een 1-1 gelijkspel tegen MVV over taktiek en de trainer gaat praten. Al zet je Peppi en Kokki langs de kant in plaats van Robson en Arnesen, dan moet je nog kunnen winnen. Je moet ze gewoon kunnen opvreten met de kwaliteit die je op het veld hebt staan. En als dat niet gebeurt, dan ligt dat aan de spelers.”

“Ik vind Robson een fantastische trainer die perfect samenwerkt met Frank Arnesen. Net zoals Guus Hiddink en Hans Dorjee een uitstekend koppel vormden. Het zijn gewoon vakmensen, die je niet omlaag moet halen. Daar zijn ze te goed voor. Maar als je in een elftal het vermogen mist, wordt het voor elke trainer moeilijk. Dat zie je bij Bayern München, bij Ajax. Dat zie je ook bij PSV.”

“PSV moet uitkijken dat het niet op het niveau blijft steken waar het zich nu beweegt. Dan word je elk jaar kampioen van Nederland en kom je niet verder. Om bij de Europese top te horen, moet je meer kwaliteit bezitten. Kwaliteit is iemand uit kunnen spelen, iemand vrij voor de keeper kunnen zetten. Daar komen de mensen voor.”

“Toch blijft PSV de enige club in Nederland die Europees topvoetbal zou kunnen spelen. Als het PSV niet lukt, dan lukt het niemand. Ook Ajax niet. Want Ajax kan geen dure spelers kopen. Het lijkt wel of ze spelers kweken om ze te verkopen. Zo kun je misschien leuk voetballen met jonge jongens. Maar je komt er nooit verder mee.”

Toen Vanenburg twee jaar geleden voor een levenslang contract bij PSV koos en niet voor het lucratieve aanbod van AS Roma, deed hij dat ondermeer in de hoop op nieuwe Europese triomfen met PSV. Maar nu de Eindhovense club voor het tweede achtereenvolgende seizoen vroegtijdig is uitgeschakeld in het Europa Cup 1-toernooi, kijkt hij toch weer verlangend naar het buitenland. Dat komt ook omdat hij het in Nederland inmiddels wel gezien heeft. Dat jaarlijkse landskampioenschap, steeds weer die KNVB-beker. Daar kan hij geen bezieling meer uit putten. “Niet hautain bedoeld, hoor. Maar alleen al de gedachte om volgend jaar opnieuw naar zo'n ploeg in weet-ik-waar te moeten. Het gaat gewoon niet meer. En het moet niet zo zijn dat je hier een beetje gezapig gaat lopen te voetballen. Daar help je PSV niet mee en daar help je jezelf niet mee.”

“Bij een goeie club in het buitenland speel je elke week voor 50, 60.000 mensen. Dan is elke wedstrijd een belangrijke wedstrijd. Hier kunnen in sommige stadions niet meer dan 8.000 mensen. Ik wil wel eens wat anders. Hier in Nederland heb ik niet zo veel meer te leren. Leren is een nieuwe uitdaging hebben. Zodat je nog beter gaat spelen.”

Hij ontkent dat hij in de geest al afscheid heeft genomen. Maar hij zegt wel dat het voor hem “steeds moeilijker wordt om hier in Nederland te blijven spelen.” En hij zegt ook dat “geen club in de wereld” hem tegen zijn zin kan vasthouden. Zijn belangstelling richt zich uitsluitend op Italië, niet op Spanje, niet op Frankrijk. Omdat de Serie A zoveel gelijkwaardige topclubs telt en de competitie er het hevigst is.

Met een eventuele overgang van Vanenburg zal tenminste acht tot tien miljoen gulden gemoeid zijn. Volgens de PSV-aanvoerder heeft hij over interesse van clubs niet te klagen. Namen wil hij niet noemen. Maar: “Er zijn een heleboel clubs die me dolgraag willen hebben voor dat geld.”

Gerald Vanenburg meent dat hij meer kan halen uit zijn voetbalcarrière. “Meer waardering, meer publieke belangstelling, meer kwaliteiten.” Daar wil hij een greep naar doen. Misschien dat ze dan ook in Nederland eindelijk zullen inzien, dat hij behoort tot de beste spelers van de wereld. “Ik denk niet dat de voetballers in de top-tien echt zoveel meer kunnen. Ze spelen alleen in competities waar ze hun klasse beter kunnen tonen. Als ik wegga, zal ik de goeie club moeten kiezen. Dan gebeurt het allemaal vanzelf.”