EEN HOLLANDSE VREDESMISSIE OP DE BALKAN

Zes maanden in Albanië door J. Fabius 228 blz, geïll., De Arbeiderspers 1991, f 39,90 ISBN 90 295 1595 3

Majoor Lodewijk Johan Willem Karel Thomson stierf in de vroege ochtend van de vijftiende juni 1914, op een heuvel die uitziet over de Albanese havenstad Durrës, destijds hardnekkig op zijn Italiaans Durazzo genoemd. De heuvel lag onder vuur van opstandelingen. ""Ik ben gewond, laat me wegbrengen,'' zou hij uitgebracht hebben. Niet wat je noemt famous last words, maar wel adequaat, zij het zinloos. Weggedragen door een andere Nederlandse officier en een correspondent van de Times overleed majoor Thomson waarschijnlijk al enkele meters verderop. Bij terugkomst van zijn lijk in het vaderland was hij ""den held van Durazzo'' geworden.

En een held verdient een monument. In Groningen, waar hij begraven is, werd een buste geplaatst. In Den Haag kreeg hij in 1918 op initiatief van een Nationaal Comité onder voorzitterschap van oud-minister van oorlog Hendrik Colijn een echt standbeeld, midden op een minuscuul pleintje, meer een verbreding in de straat. Die heette van toen af de Thomsonlaan, met halverwege dus het Thomsonplein.

De roem van de man die volgens de bedelcirculaire van het Nationale Comité ""den naam van zijn land en van zijn volk tegenover heel de wereld in een schitter-glans heeft gebracht'' duurde niet lang. Thomson is vergeten, net als de missie die hem in de Balkan bracht. Althans, bijna vergeten.

Want: er was nóg een standbeeld. Ergens op de boulevard van Durrës heeft het gestaan. Een nieuw sociaal-realistische gedenkteken markeert de plek. Waar nu een bronzen Albanese volksheld met een wapperend jasje en een geweer in zijn linkerhand pathetisch over de Adriatische Zee wijst, stond eens de buste van Thomson. Nadat Albanië een volksrepubliek was geworden, verdween hij. Misschien ligt de sculptuur nog wel ergens in een opslagruimte, waar hij het afgelopen jaar gezelschap heeft gekregen van talloze Enver Hoxha's en Josef Stalins. Maar de iets oudere Albanezen weten zich zijn naam nog wel te herinneren, soms als de lakei van het imperialisme waarvoor hij door de communisten werd uitgemaakt, vaak ook als de Hollander die stierf voor de onafhankelijkheid van hun land.

ONBEGREPEN GENIE

Tot vlak voor zijn Albanese avontuur was Thomson nog Tweede Kamerlid voor de Liberale Unie. Acht jaar lang vertegenwoordigde hij het district Leeuwarden, maar in 1913 werd hij verpletterend verslagen door de "rooden vloed' van Troelstra. Zo formuleerde D. Hans, de toenmalige "Kameroverzicht-schrijver' van De Telegraaf, het in zijn korte en druipend bewonderende biografie Majoor Thomson uit 1917. Thomson werd geschilderd als een onbegrepen genie; een man die minister van oorlog had kunnen en moeten worden; een gematigd progressief politicus die in de Kamer helaas voortdurend het onderspit dolf tegen de confessionele meerderheid. Een militair ook met veel organisatietalent, die voordien in het leger heftige aanvaringen met zijn superieuren paarde aan een grote populariteit bij zijn manschappen.

Terug in actieve dienst werd Thomson uitverkoren om samen met een zekere kolonel De Veer in Albanië een speciale opdracht voor te bereiden. Het land noemde zich onafhankelijk sinds in 1912 een groepje nationalisten op de golven van de Balkanoorlog de Ottomaanse overheersing had afgezworen. Daarmee was de rust echter niet weergekeerd. De Turken mochten goeddeels uit de Balkan verdreven zijn, Albanië werd nog steeds door anderen (Montenegro, Servië, Griekenland, in stilte ook Italië) belaagd. Om deze brandhaard te bedwingen besloten de mogendheden van die dagen (Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Italië, Oostenrijk-Hongarije en Rusland) in de zomer van 1913 de onafhankelijkheid van het land opnieuw uit te roepen, met volledig voorbijgaan aan de voorlopige regering die de Albanezen zelf hadden gevormd.

Maar voor blijvende onafhankelijkheid was meer nodig dan een aantal handtekeningen, en dus besloten de mogendheden personeel aan te trekken: een Beierse prins om de vorstelijke honneurs waar te nemen, en officieren van een land zonder belangen in deze regio, zoals Nederland, die de prins van een "gendarmerie' konden voorzien. Geen overbodige luxe, want niet iedereen was het geheel eens met het nieuwe regime, en men sneed elkaar dus onverminderd vol overgave de keel af.

Het Nederlandse parlement ging trouwens niet zonder slag of stoot accoord met het verzoek om als politieagent in dit wespennest op te treden. Maar het politieke prestige dat met de opdracht behaald kon worden, gaf de doorslag. Ter voorbereiding van de missie reisden De Veer en Thomson af naar Albanië, schreven (vermoedelijk vooral de laatste) een verrassend dik en doorwrocht rapport over land en volk, en verwelkomden eind februari en begin maart 1914 de rest van de officiersgroep, die tijdelijk in vreemde krijgsdienst zou treden.

IDOLATRIE

Uit alle berichten blijkt dat Thomson zijn reputatie waar maakte. Hij kreeg ongelooflijke herrie met zijn superieur, generaal (in Albanië diende men een rang hoger) De Veer, die hij al snel overvleugelde, en maakte zich zeer geliefd bij zijn ondergeschikten. Het bewijs daarvoor wordt geleverd door een ander geschrift uit die tijd, van iemand die Thomson in zijn laatste dagen meemaakte. Onlangs beleefde het zijn derde druk. De toon is wat vlakker, maar het ademt, waar het Thomson betreft, dezelfde idolatrie als het biografietje van D. Hans.

Zes maanden in Albanië verscheen voor het eerst in 1918. De auteur was kapitein (in Albanië) Jan Fabius. Hij was destijds 25 jaar oud en van de betrokken vijftien officieren de enige die een boek over de missie heeft uitgebracht. Niet de enige officier die iets heeft geschreven overigens. Een ander lid van het groepje, kapitein J. H. Sonne, beschreef zijn ervaringen in het zuiden in een supplement op de Militaire Spectator van maart 1916. De Veer en Thomson zelf leverden hun periodieke rapportages aan Den Haag. Mijn eigen grootvader, kapitein Henk Reimers, maakte een verslag van zijn eerste weken in het land en de reis ernaar toe, maar voltooide het niet, laat staan dat hij het publiceerde.

De nieuwe druk van het werkje van Fabius is een idee van Boudewijn Büch geweest. Die kwam een aantal jaren geleden in een antiquariaat de eerste uitgave tegen. Dat er zo'n twintig jaar eerder, in 1964, al een tweede druk was verschenen (onder de titel Met Thomson in Albanië, voorspel tot de eerste wereldoorlog) leerde hij pas later. Uit het nawoord dat Büch nu aan deze nieuwe uitgave heeft toegevoegd, blijkt dat hij onkundig is gebleven van de tijdschriftversie die ook al in 1918 (en waarschijnlijk voorafgaand aan het boek) het licht zag. Zes maanden in Albanië is toen per hoofdstuk bijna helemaal gepubliceerd in De Aarde en haar Volken, een etnologisch periodiek op A-4 formaat.

Mijn grootvader had er een ingenaaid exemplaar van. Het is jammer dat Büch er niet de hand op heeft kunnen leggen, omdat men in deze versie heel wat kwistiger met afbeeldingen, vooral foto's heeft gestrooid dan in de officiële boekuitgaven. In deze nieuwe druk staan nu slechts elf historische afbeeldingen, bovendien ook nog eens pover afgedrukt, tegen meer dan zestig haarscherpe foto's en tekeningen van het Albanië anno 1914 in De Aarde.

Fabius was ongetwijfeld de meest geoefende scribent onder het groepje dat de "mission Néerlandaise' uitmaakte, en hij had daarenboven nog eens het voordeel dat de Balkan hem niet onbekend was. In 1912 vertoefde hij er als oorlogscorrespondent tijdens de eerste Balkanoorlog. Men keek in die tijd niet op wat branchevervaging. Zo mocht Fabius zelf later in Durrës als commandant van een batterij kanonnen rekenen op schietgrage krantecorrespondenten, van wie Moore van de Times - dezelfde die Thomson hielp wegdragen - er slechts één was.

In zijn boek toont Fabius zich een nuchtere Hollander in die merkwaardige wereld van ""de Oriënt (..), mijlenver weg van Europa en zijn westerse cultuur''. Hij is een goed waarnemer, zijn stijl is droog en afstandelijk, vaak wat kneuterig, en soms enigszins incoherent. Het resultaat is een curieuze mengeling van kroniek, oorlogsverslaggeving, antropologische observaties, en small talk.

PANTOFFELPARADE

Anders dan de overige leden van de missie had Fabius in de eerste maanden van zijn verblijf een gemakkelijk leventje. Hij werd gestationeerd in Scutari, Shkodër in het Albanees, een stad in het noorden die door de mogendheden bezet werd gehouden uit vrees voor aanvallen vanuit Montenegro. Het militaire bestuur maakte de dienst uit, en dat betekende dat er (een uitzondering in het land) rust heerste. Het was de bedoeling dat de gendarmerie onder leiding van de Hollanders de verantwoordelijkheid voor de openbare orde zou overnemen, maar zover is het nooit gekomen. Om onduidelijke redenen bleef Fabius maandenlang verstoken van geld om gendarmes aan te kunnen werven. Daarmee was hij veroordeeld tot rondhangen in het semi-mondaine leven dat zich rond de garnizoenen afspeelde.

Zo'n houwdegen was hij niet dat hij daar ontevreden mee was. Vroeg opstaan was er al niet bij, daarvoor duurden de avondjes te lang. Op zijn gemak studeerde hij 's morgens wat Albanees, en verscheen dan tegen elven op de pantoffelparade in de hoofdstraat die tot Rue Internationale was omgedoopt. Daar werden de laatste nieuwtjes besproken, ""bekeken wij de zo juist aangekomen toeristen in het hotel, en gewoonlijk eindigde het met een kopje thee in een der cafés''. 's Middags trok hij er regelmatig met een bevriende Oostenrijkse officier op uit in de omgeving, om er paard te rijden of te wandelen, soms ook te klimmen in het gebergte niet ver van de stad. Om vijf uur was er muziek in de stadstuin, om zeven uur was de gezelligheid te vinden bij de rolschaatsbaan die de Italianen haddden aangelegd, of dronk men thee bij de Oostenrijkers. 's Avonds was er altijd wel ergens een feestje. Van tijd tot tijd organiseerden de Engelsen overdag een bokswedstrijd op een plein tegenover hun kazerne.

Fabius heeft een goed oog voor het absurde voor de situatie, en beschrijft die zonder opsmuk. Na enige tijd moest hij echter verkassen naar Durrës dat steeds meer in de vuurlinie kwam te liggen. Dan blijkt waaraan dit deel van de Balkan zijn reputatie dankt. Geen huis of er werd wel een intrige in beraamd, geen straathoek of er vond een politieke moord plaats, geen gezagsdrager of hij had zich verkocht aan binnen- of buitenlandse machten.

In die situatie bleek de nieuwe vorst, de Beierse Prins zu Wied (of "von', destijds het gangbare voorzetsel), weinig uit te kunnen richten. Het gebied waarover hij zijn gezag kon doen gelden, omvatte niet veel meer dan Durrës zelf, de zetel van de regering. Deze werd door onderlinge onenigheid en factiestrijd verlamd. Met de Hollanders was de verhouding nogal gespannen, meldt Fabius. Hun gebrek aan gevoel voor het decorum waar de prins juist zo tuk op was, maakte het contact stroef, hoewel Thomson zich volgens de schrijver later wel een vertrouwenspositie wist te verwerven.

BOERENOPSTAND

Naast de formele regering was er nog een parallelle machtsstructuur in de vorm van een Internationale Controlecommissie, die voor het grootste deel bestond uit vertegenwoordigers van de mogendheden. Wie er precies de lakens uitdeelde, was over het algemeen een raadsel.

Oppositie tegen dit diffuse machtsapparaat was er niet alleen in de grensgebieden. In het voorjaar van 1914 begon in centraal Albanië een boerenopstand die er al even onduidelijke commandostructuren en ideologieën op na hield. Jarenlang heeft er onder Albanese historici een absoluut taboe gegolden om die opstand anders te duiden dan de grote roerganger Enver Hoxha ooit had gedaan: namelijk als een gewapende klassenstrijd van verdrukte boeren tegen de feodale klasse der grootgrondbezitters en de imperialistische regering van Wied. Ook de 500 pagina's tellende monografie uit 1986 over de opstand van de huidige directeur van het Albanese staatsarchief prof. Gazmend Shpuza, leunt zwaar op de analyse van Hoxha, waarin ""een vurige partijgeest zo perfect is gecombineerd met de diepste wetenschappelijke objectiviteit''.

Pas onlangs gooide de naar Parijs uitgeweken schrijver Ismail Kadare de knuppel in het hoenderhok. ""Iedereen weet toch dat het een pro-Turkse beweging was, die er openlijk naar streefde Albanië los te weken uit Europa,'' schreef hij in een voetnoot in Printemps Albanais, de apologie waarmee Kadare zijn vlucht rechtvaardigde. De Hollandse officieren zagen de kwestie destijds niet veel anders, zij het met meer oog voor de talloze complicaties. Zo had ook de invloedrijke pasja uit de oude familie der Toptani's zijn eigen ambities met land en kroon. Niets - eigen legertjes, immer wisselende coalities - bleek hem teveel om die te bemachtigen. Ook de Italianen stookten onder de oppervlakte flink; Fabius levert er legio voorbeelden van.

In die visie is hij later gesteund door een in 1972 verschenen engelstalige doctoraalscriptie van de Nederlandse historicus Gorrit Goslinga, The Dutch in Albania. A History of the First Albanian Gendarmerie Organized and Directed by Dutch Officers 1913-'14. Goslinga verdedigt zelfs de stelling dat Thomson tijdens de aanval van de opstandelingen op Durrës niet het slachtoffer werd van een verdwaalde kogel, maar dat hij het bewuste doelwit was van een (pro-)Italiaanse scherpschutter.

MISERABEL

Dat de Hollandse onderneming wel op een fiasco moest uitdraaien, zal niemand na lezing van het boek van Fabius nog verbazen. Binnen een half jaar vertrok de missie (evenals vorst Zu Wied) met de staart tussen de benen. Politiek konden De Veer en Thomson niet vertrouwen op enige ruggesteun van betekenis, en militair was de situatie al even miserabel. Fabius moest bij de verdediging van Durrës de hulp inroepen van Jan en alleman (journalisten, een verdwaalde Duitse student, wat diplomaten) om de batterij Skoda-kanonnen te bedienen. De Albanezen deserteerden bij bosjes. Dat het met de betaling regelmatig niet wilde vlotten, was slechts één factor die knaagde aan het moreel.

Maar om nu de gehele episode af te schilderen als een "Balkanoperette', zoals Büch in zijn nawoord doet, gaat toch iets te ver. Een figuur als de prins van Wied mag in die omschrijving passen, voor het overige was de situatie daarvoor te grimmig. Daaraan doet de toon die Fabius aanslaat weinig af. Het wemelt in het boek van de onbetrouwbare ""Albaneesjes'', ""oosterse potentaatjes'', en zinnen als : ""Ik heb zelden een viezer kereltje ontmoet dan de heer burgemeester van Scutari.''

Jan Fabius heeft, zo blijkt uit de naspeuringen van Büch, na zijn overhaaste vertrek uit Albanië in 1914, de rest van zijn leven voornamelijk gesleten als journalist en schrijver. Na de Tweede Wereldoorlog belandde hij in Den Haag, waar hij in een eigen blaadje stelling nam in een controverse rond het hof. Het leverde hem tien dagen hechtenis wegens majesteitsschennis op. In de jaren zestig werd hij gemeenteraadslid voor de Boerenpartij. Een en ander leidt Büch tot de conclusie dat Fabius een ""star-rechtse'' man moet zijn geweest, zonder dat hij overigens tot ""bizarre'' opvattingen à la de partijleider Koekoek verviel.

In 1964, het jaar van zijn dood, blijkt uit het voorwoord bij de tweede druk van zijn Albanië-boek dat Fabius inderdaad niet van realiteitszin gespeend was. Uiteindelijk was de gehele onderneming niet meer dan ""een wagenspel''. Zijn respect voor Thomson is gebleven. Maar, schrijft hij, men had er in Den Haag verstandig aan had gedaan even te wachten met een standbeeld, zodat een volgende generatie over de noodzaak ervan had kunnen oordelen.