Duitsland gedraagt zich als een groot (maar ontactisch) land

BONN, 11 JAN. Een jaar geleden grimlachte de Westerse wereld, vooral het angelsaksische deel ervan, om die Duitsers (Sissies) die - voor zij geschrokken naar hun chequeboek grepen - hun door de historie per expresse bezorgde eenheid vierden met angstige afzijdigheid in de Golfoorlog.

In de straten van de wereldkampioen export werd gedemonstreerd. In Bonn werd moeizaam een nieuw kabinet geformeerd, aangaande de Golfoorlog heerste er een zekere radeloosheid. Was dat nu het land dat president Bush zomer 1989 als eerste Europese partner had erkend door het een “gedeeld leiderschap” aan te bieden? Kritiek en leedvermaak streden om de voorrang, de vergrote Duitse kolos in het midden van Europa wist zich geen raad met zichzelf. Hij leek terug te verlangen naar vroeger, naar de veilige status van Riesenzwerg, beleefd in de omgang en zonodig best bereid, zonodig na een verwijzing naar vroeger, om de hand snel naar de beurs te brengen.

De Britten grepen een jaar geleden gretig hun kans om de VS te laten zien op wie zij in moeilijke tijden als bondgenoot echt staat kunnen maken. En Frankrijk was nog net op tijd in het gelid van de gedecideerde partners geslopen, al zou er later dan hier en daar wat worden gegrinnikt over de kwaliteit van zijn militaire bijdrage aan de oorlog tegen Saddam Hussein.

Nee, dat vergrote Duitsland had weliswaar nu een kleine tachtig miljoen inwoners en het mocht zijn politieke handicap van voorheen dan formeel kwijt zijn, naar het leek zou het nog lang duren voor het zich “gewoon” en dus als het grootste land in de Europese Gemeenschap zou gaan gedragen. Voor menig buurland was de veel-gekritiseerde Duitse besluiteloosheid misschien eigenlijk ook wel zoiets als een geruststelling na twee jaren van tomeloze verandering in Oost-Europa. Bovendien, zo leek het, zou de energie van verenigde Duitsland voorshands wel “naar binnen” gericht zijn, op de geld- en krachtverslindende opbouw van de vroegere DDR dus.

Een jaar later al is gebleken dat de schijn bedroog. De Bondsrepubliek gedraagt zich inmiddels als een groot Europees land dat weliswaar met een historische hypotheek moet leven, en dus in de sector tact tot behoedzaamheid verplicht is, maar overigens geen politieke handicaps jegens zijn partners meer heeft. Een groot land dat, ingebed in de EG maar soms met opvattingen en belangen die afwijken van zijn partners, daarvan nu af en toe ook ongewoon "gewoon' blijk geeft. Dat is voor iedereen even wennen, niet het minst voor de Duitsers zelf.

Dat geldt voor de kwestie-Joegoslavië zoals het geldt voor rentemaatregelen van de Bundesbank om de stabiliteit van de D-mark te beschermen. Daarmee zijn ook de twee gevallen genoemd die de afgelopen weken voor internationale kritiek op de koers van Bonn hebben gezorgd. Daarnaast is er dan ook nog, zij het meer onderhuids dan openlijk gezegd, een onmiskenbare vrees in West-Europa dat de Bondsrepubliek als rijke en hulpvaardige oom in Oost-Europa op den duur een te belangrijke rol zal gaan spelen. Of, anders gezegd, dat het straks min of meer uit zijn Westeuropese inbedding wordt weggezogen of tenminste vaker en sterker in oostelijke en zuidoostelijke richting gepreoccupeerd raakt.

Zakelijk gesproken valt Bonn niet zoveel kwalijk te nemen als de directie van de Bundesbank met de kleinst mogelijke meerderheid (7-6), en tegen de zin van president Schlesinger en vice-president Tietmeyer, besluit om de stabiliteit van de D-mark te verdedigen door de rente te verhogen. Uiteindelijk kwam die maatregel, die verder remmend kan inwerken op de aarzelende nationale economie, óók in Duitsland zelf pas na een langdurig debat tot stand. Dat de Franse president er begin deze week zo over klaagde, is in zoverre een gotspe dat Parijs eigenlijk ook wel weet dat het al jarenlang van de strikte Duitse monetaire politiek en de harde D-mark profiteert.

Bovendien: is niet iedereen erbij gebaat dat de Bundesbank voorzichtig omgaat met de leidende valuta in de Gemeenschap? En heeft Kohl, die op dit stuk het gevoeligste electoraat heeft, in Maastricht bij de afspraken over de Europese economische en monetaire unie (EMU) niet het meest van iedereen ingeleverd, vragen vele Duitse media zich al weken bezorgd af.

In de kwestie-Joegoslavië is het au fond niet zo heel anders. Eigenlijk is Bonn niet zo veel meer te verwijten dan dat het na een maandenlange pijnlijke demonstratie van verdeeldheid binnen de EG de partners tenslotte in december duidelijk maakte niet langer meer met de erkenning van Kroatië en Slovenië te willen wachten. Die forcing kwam na vele vruchteloos verstreken EG-ultimata in de richting van de strijdende partijen in Joegoslavië, na vele snelle schendingen van wapenstilstandsafspraken. En wie of wat ook waarvoor verantwoordelijk was, dat de strijd zich allang in Kroatië afspeelde en dat het Joegoslavische leger dáár opereerde, was en is een bloedig feit. Zoals het een feit is dat juist het afgelopen jaar bleek dat velerlei tournures uit de sfeer van de Europese conferentie voor veiligheid en samenwerking (CVSE) voor Duitsers en andere Europeanen aanmerkelijk aan bakenwaarde hebben verloren.

Niet onbelangrijk voor Kohl en Genscher was en is bovendien de aanwezigheid van een klein half miljoen Kroaten in Duitsland en de aanhoudende druk van de media en een zeer brede meerderheid in de Bondsdag (inclusief de oppositionele SPD). Het is niet zó gek als in Bonn wordt gezegd dat zulke factoren in de EG net zo mogen worden meegewogen als bijvoorbeeld gebeurde met de verkiezingsperikelen van de Britse premier op de Europese top in Maastricht. Trouwens, zo is in de (nog) Duitse hoofdstad te horen, de late maar ernstige waarschuwingen uit onder meer Washington voor de gevolgen van erkenning van Kroatië en Slovenië, blijken - tot nu toe althans - gelukkig aan de sombere kant geweest.

Iets anders is, maar dat ligt veel meer in de sector tact, of Duitsland nu echt niet nog tot midden januari op zijn EG-partners had kunnen wachten en al voor kerst tot erkenning moest overgaan. En, uit dezelfde sector, of het nu wel echt handig en verstandig was dat de historicus Kohl juist deze geslaagde Duitse forcing in de EG vrijwel direct in een toespraak tot het CDU-congres in Dresden als Sieg der Deutschen Politik moest aanprijzen. Er is veel dat went, maar sommige dingen toch minder makkelijk dan andere.

Het zijn de kleine dingen die het hem doen, maar dat geldt in twee richtingen. Het is bijvoorbeeld de vraag of Bonn er nu wel zo goed aan deed om in Brussel te vragen of Duits in de Gemeenschap als voertaal dezelfde status kan krijgen als Engels en Frans. Maar is het ook de vraag of de Britten daarop moesten reageren alsof dat voorstel gelijkstaat met heropening van de Blitzkrieg. Iets dergelijks geldt ook voor het Duitse duwen om meer Europese parlementariërs te krijgen.

Dat, wat het parlement in Straatsburg ook moge betekenen, bijna 80 miljoen mensen er meer volksvertegenwoordigers zouden hebben dan circa 50 miljoen (zoals Fransen, Britten en Italianen) is intussen op zichzelf nog niet zo'n onkuise gedachte. Al is het uitspreken van die gedachte onder de geldende omstandigheden wel een kwestie van timing. Oud-kanselier Helmut Schmidt, die net als zijn SPD soms tobt met het probleem dat hij het eigenlijk op hoofdzaken met Kohls beleid eens is, wees deze week in een televisie-interview met plezier op deze tactische tekortkomingen van de eenheidskanselier die zijn opvolger is.

Omgaan met Duitsland is voor Duitsers nooit zo makkelijk geweest en voor de buren ook niet. In Bonn regeert, nu in zijn negende jaar, een kanselier die dat (net als zijn voorgangers) weet. En die daarvoor, zie Maastricht als laatste voorbeeld, ook wel veren wil laten. Hij wil Duitsland zo stevig mogelijk in de Europese Gemeenschap geïntegreerd houden en bovendien - liefst in EG-verband - een brug slaan naar Oost-Europa, waar chaos, nationalisme en verpaupering klaar staan om veilige zekerheden van gisteren af te lossen. Het zou al met al in Bonn, afgezien van problemen in de sector tact, slechter gesteld kunnen zijn.