Diepenheimers bouwen de kunstwerken zelf; Pjotr Müllers tempels voor het dagelijkse leven

Tentoonstelling: Pjotr Müller: Tien bouwwerken buiten; beelden en tekeningen in de Kunstvereniging Diepenheim (Grotestraat 17). T/m 16 feb. Geopend ma. t/m vr. 9-16.30u; za. 14-16.30; zo. 12-16.30. Routekaartje ƒ 2,50, catalogus ƒ 20.

Sommige mensen krijgen ongevraagd een kunstwerk op het plein voor hun deur. Anderen, zoals een tiental Diepenheimers, bouwen het zelf in hun achtertuin. De eerste kunstwerken worden gefinancierd door de overheid en geplaatst na goedkeuring van een commissie deskundigen. De betrokkenheid van de omwonenden bij de totstandkoming is meestal gering. Zij moeten er wel degelijk naar kijken en ergeren zich of beleven mogelijk zelfs enig genoegen aan deze artistieke ingreep in hun buurt. De bouwers in Diepenheim hadden in ieder geval zichtbaar plezier in hun werk.

In Diepenheim is al jaren en kunstvereniging actief die 's zomers beeldenroutes organiseert. Nu men de beschikking heeft over een nieuwe expositieruimte zijn er ook in de winter tentoonstellingen. Aan de expositie van Pjotr Müller is - ondanks het jaargetijde - ook een project buiten verbonden. Müller werd gevraagd voor een aantal particuliere tuinen en openbare groenvoorzieningen houten bouwwerken te ontwerpen. Aan de hand van Müllers tekeningen werden de bouwwerken door de bewoners zelf, samen met studenten van de AKI (de kunstacademie in Enschede), uitgevoerd.

De tekeningen die in de Kunstvereniging hangen, zijn schetsmatig en mooi van kleur. Ze geven wel een idee hoe zo'n gebouwtje er uit zou kunnen zien, maar exacte gegevens zoals maten ontbreken. De uitvoering werd overgelaten aan het bouwkundig inzicht en de handigheid van de verschillende timmerlui. Het is aardig om de tekeningen te vergelijken met het uiteindelijke resultaat. De bouwsels zijn van sloophout opgetrokken, niet beschilderd en herbergen allemaal een of meer keramische vazen van Müller. Soms zijn er verrassende oplossingen gevonden zoals in een vierkant tempeltje waar zestien deuren toegang geven tot het "heiligdom'. In andere gevallen is de uitvoering wat eenvoudiger dan op de tekening of bleken de vazen bij voorbeeld te zwaar voor een luifel.

Müller sluit op een onnadrukkelijke manier aan bij de bestaande bebouwing. Zo staat in de tuin van de Kunstvereniging een lange, smalle gang die uitkomt op een iets bredere afgesloten ruimte. Deze wordt, net als in de expositieruimte, door verticale spleten verlicht. In een ganzenwei is een bouwsel neergezet dat doet denken aan een luxueus konijnenhok en een ander ontwerp van Müller met vier houten zuilen en een puntdak is bedoeld als stalling voor een tractor. Voor een rijtje bejaardenwoningen staat een soort overdekte voederplaats en er is ook een overdekte brug over een slootje.

Wandelend door de dreven van Diepenheim (bij voorkeur op kaplaarzen) ontdekt men opeens overal kleine hokjes, schuurtjes, duiventillen en vogelhuisjes. Allemaal geïmproviseerde architectuur die voor een bepaald doel is gebouwd. Wanneer deze behuizingen niet meer nodig zijn, belanden ze op een stapel in de tuin en wordt het hout te zijner tijd weer voor iets nieuws gebruikt. Eén ontwerp van Müller, een berg identieke huisjes, lijkt hiernaar te verwijzen.

Pjotr Müller (Amsterdam 1947) heeft in de jaren tachtig verschillende hutten en tempelvormige constructies gebouwd. In het begin van dit jaar was een van deze architectonische verbeeldingen, Mijn Paradijs, in de Oude Kerk in Amsterdam tentoongesteld. Müller beschouwt zijn werk als tempeltjes voor het dagelijkse leven. Ze roepen op tot een moment van bezinning en kunnen ons even bevrijden van de alledaagse beslommeringen.

In zijn keramische beelden die op de Kunstvereniging te zien zijn, blijft Müller ook dicht bij het dagelijks leven. Behalve vazen gebruikt hij vormen die doen denken aan kegels, pionnen, hoorns, zullen en kanonnen. Zes manshoge, witte kanonlopen van gebakken klei staan zwijgend bijeen en de kegels op cilinders kunnen zich alleen dankzij elkaar staande houden.

In Diepenheim heeft een groep particulieren op eigen initiatief een project ontwikkeld waarbij van de gangbare scheiding tussen opdrachtgever, kunstenaar/architect, uitvoerders en gebruikers geen sprake was. De onbevangenheid en het enthousiasme waarmee zij dit hebben gedaan is een verademing vergeleken met de manier waarop veel officiële kunst in opdracht dankzij percentageregelingen en adviezen van kunstenaars tot stand komt. Door de overschilligheid van 'gebruikers' en ambtenaren lijdt dit soort kunstwerken helaas vaak een kwijnend bestaan.

Ook al is de schatting van Jean Leering in de inleiding voor de catalogus - tien procent van de bevolking van Diepenheim waar ruim tweeduizend mensen wonen, zou bij de kunst betrokken zijn - wat aan de optimistische kant, het is toch inspirerend om te zien hoe beelden zich een plaats kunnen verwerven in een samenleving.

De vergelijking tussen deze bouwwerken en de kunst in opdracht gaat echter niet helemaal op. De ontwerpen van Müller zijn niet bedoeld voor de eeuwigheid: na afloop van de tentoonstelling worden ze in het traditionele Paasvuur verbrand. Misschien is ook dat een goed idee.