De taal heeft de krant als autoriteit nodig

Sinds de taalwetenschap ervoor heeft bedankt om te bepalen hoe het Nederlands correct moet worden gebruikt - ze bestudeert alleen de bonte verzameling van manieren waarop het gebeurt - staan de krantenredacties, de boekenuitgevers, de woordenboekenmakers en de leraren er alleen voor. Een taalfout bestaat nog maar tot op zekere hoogte: groter als is volgens de laatste wetenschappelijke inzichten niet verkeerd (al zal een lezer het alleen per ongeluk in deze krant aantreffen) want er zijn nu eenmaal zoveel mensen die het zeggen. Het maakt ook niet meer uit of je critiseren schrijft, kritiseren, critizeren of kritizeren, zolang het maar eindigt op een -n.

Redacties bepalen daarom zelf waar zij de voorkeur aan geven maar omdat de meeste redacties begrijpen dat de lezer is gebaat bij rust, schrijven ze niet in dezelfde krant zowel corrector als korrektor, zowel krantenpagina als krantepagina, zowel lettertypen als lettertypes, zowel “een paar journalisten doet maar wat” als “een paar journalisten doen maar wat”. De krant kiest voor de lezer, of die het er mee eens is of niet (en omdat een krant wat de taal betreft meestal conservatief is, is de lezer het er vrijwel altijd mee eens: wie de voorkeur geeft aan conservatief, stoort zich aan konservatief, maar wie liever dat laatste schrijft, maakt zich zelden druk om het eerste). Taal heeft een autoriteit nodig, en de krant is zo'n autoriteit met een eigen gouden standaard waarop haar lezers zich kunnen beroepen.

Helaas heeft geen krant een gouden standaard zonder smet. Toen vijf jaar geleden op deze pagina's een lans werd gebroken voor de krant als hoeder van de taal, werd al vastgesteld dat in een willekeurig gekozen zaterdagnummer van NRC Handelsblad gemiddeld vijftien keer per pagina werd gezondigd tegen deze geloofsbelijdenis. Dat was niet de schuld van de journalisten, zo was de redenering. Het kwam doordat in de loop der jaren het aantal correctoren was gedecimeerd, zodat de meeste journalisten zelf hun stukken konden versturen naar de fotozetter: het apparaat dat overal drukklare kolommen van maakt. En journalisten kunnen niet spellen, werd de lezer voorgehouden, dus richt uw ingezonden brieven maar aan de uitgever van de krant.

Maar sindsdien kwamen die vijftien fouten niet eens in de buurt van de nul, evenmin als het aantal ingezonden brieven hierover want het is een kwestie die de lezers na aan het hart ligt. “Modieus taalmisbruik”, schreef een lezer die zich ergerde aan de betekenisvernieuwing van het woord ooit (zoals in "ik heb u ooit gezien') en vroeg of de courant - "leermeester van zijn lezers' - ook nog iets kon doen aan de "tientallen andere onjuistheden' die dagelijks worden afgedrukt. “Onaanvaardbaar anglicisme”, schreef een andere lezer die zich ergerde aan het woord controleren waar volgens hem beheersen had moeten staan. Een derde lezer klaagde dat het verkeerd vervoegen van werkwoorden (-t, -d en -dt) "schering en inslag' is.

Mea culpa, ja, het is inderdaad haastwerk, journalisten zijn geen wandelende taalgidsen en als de uitgevers het matras van correctoren onder hen wegtrekken, moet niemand opkijken als er brokken vallen. De krant is (nog) niet de hoeder van de taal, niet de leermeester van zijn lezers. De krant is een woordblinde die door een troep geleidehonden over het hobbelige pad van de spelling moet worden gevoerd.

Maar het is nogal overdreven om Bergredes af te steken over het afglijden van de samenleving naar "normloosheid en verval', zoals een lezer concludeerde uit de verkeerde toepassing van mannelijke beroepsnamen voor vrouwen (directeur bij een vrouw, in plaats van directrice). En het benauwde weeklagen van een W.F. Hermans dat het Nederlands naar de bliksem gaat, en dat dit zelfs de "gewone mensen' niets meer kan schelen, is net zo'n afdwaling van de werkelijkheid als het opgeheven vingertje van Charles, prins van Wales die behalve zijn populaire tirades tegen de moderne architectuur ook geregeld klaagt dat het Engels sterft aan onverschilligheid, versimpeling en amerikanismen. De gewone mens interesseert zich juist bijzonder voor het taalgebruik van schrijvers, journalisten, politici en vakbondsmensen. Dat bewijst het aantal ingezonden brieven. Dat bewijst het groeiend aantal gewone en ongewone mensen dat zich bemoeit met de discussie over spellingswijziging.

In 1992 halen de taalgeleerden voor de vierde keer in deze eeuw de bezem door hun eigen kast. De Nederlandse Taalunie, het diplomatenklasje van de Belgische en Nederlandse taal- en letterengemeenschap, riep zeven jaar geleden een aantal geleerden bij elkaar om een paar stevige knopen door te hakken. De geleerden gingen niet over één nacht ijs, want over de vorige drie spellingswijzigingen was niet iedereen tevreden geweest en dus werd eerst een "ad hoc-werkgroep' ingesteld. Die publiceerde in 1988 een rapport met "voorbereidend werk' voor een daarna op te richten echte spellingscommissie. De werkgroep had al vastgesteld dat noch de gewone mensen, noch de mensen die beroepshalve met de taal omgaan enige behoefte hebben aan ingrijpende wijzigingen. Dat bleek uit een enquête, respectievelijk uit een aantal "groepsdiscussies'. Waar wel iedereen behoefte aan had, was een einde aan het onderscheid tussen "voorkeurspelling' en "toegelaten spelling' (korrektor is goed, corrector is beter). Er moest één spelling komen.

Eind 1990 werd de definitieve regeringscommissie geïnstalleerd (de voorzitter is dezelfde als die van de werkgroep: dr. G. Geerts, hoogleraar in Leuven, die als hoofdredacteur van de grammaticabijbel Algemene Nederlandse Spraakkunst uit 1984 de wetenschap verspreidde dat hun hebben correct Nederlands is als maar genoeg mensen het zeggen). Komend najaar laat de commissie weten of ze de toegelaten spelling wil afschaffen, hoe ze denkt over de verbindingsletters -s en -n (krantejongen of krantenjongen) en over de uitspraak- en leestekens (Jan's fiets of Jans fiets, zoëven of zo-even).

Dan kan het nog wel even lang duren voordat er weer een nieuwe, officiële spelling is. Eerst moeten de ministers van onderwijs en cultuur van Nederland en België nog wat staatsrechtelijke vraagstukken oplossen die samenhangen met het invoeren van een gezamenlijke spelling die op alle scholen wordt onderwezen. Daar zullen ze mee wachten tot alle Kamervragen en amendementen op een nieuwe Spellingswet achter de rug zijn en de ongetwijfeld heftige kritiek van de gemeenschap van taalgeleerden is verstomd. En als er dan nog iets is overgebleven van de voorstellen, loopt het restant nog de kans te worden vermorzeld door de conservatieve meerderheid van de krantenredacties en uitgeverijen.

Een voorproefje van wat de bewindslieden te wachten staat is te vinden in De Groene Spelling, een discussiebundel over de taalvernieuwing die uitgeverij Bert Bakker vorig jaar publiceerde. Behalve de bekende radicale taalhervormers als Piet Paardekooper en de Vereniging voor Wetenschappelijke Spelling, die in hoofdzaak alles willen schrijven zoals het wordt uitgesproken, gaven ook leden van de spellingscommissie een voorschot op wat zij dit najaar zullen bedenken.

Frank Jansen, neerlandicus in Utrecht, stelt bijvoorbeeld voor om eens na te denken over spellingsvariatie waarmee de taalgebruiker meer mogelijkheden heeft tot uitdrukking (zoals W.F. Hermans een paar jaar geleden voorstelde: kwestie bij een futiel vraagstuk en quaestie bij een ernstig geval). Johan Zuidema, ook uit Utrecht, gaat nog wat verder dan waar zijn commissie zich over mag uitspreken. Hij wil bijvoorbeeld onderwijs spellen als onderwijz omdat de vervoegingen ook met een -z zijn (onderwijzer, onderwijzen) en hij wil een gemakkelijker systeem voor de werkwoorden, dat op hetzelfde principe berust: hij komd, hij verblijvd, hij leezd. Jaap de Rooij, die alleen lid was van de "werkgroep ad hoc', vindt ook de werkwoorden een groot probleem van het Nederlands. Hij stelt voor, ook namens de werkgroep, om niet meer een -t toe te voegen als er al een -d staat (hij vind) en de -t of -d in de verleden tijd niet meer te verdubbelen (hij antwoorde gisteren, zij wachten gisteren). Dat is makkelijker om te leren, denkt De Rooij.

Aan de vooravond van het nieuwe spellingsavontuur publiceerde de voormalige staatsuitgeverij SDU op eigen houtje een nieuwe editie van het Groene Boekje. Dat is de enige woordenlijst die met gezag van de overheid dicteert hoe er gespeld moet worden, maar die helaas uit 1954 is en daar de sporen van draagt. Bovendien heeft dit Groene Boekje ons opgescheept met de "toegelaten spelling'. De SDU liet de nieuwe woordenlijst samenstellen onder leiding van de Leidse linguïst Piet van Sterkenburg, directeur van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden. In de bundel De Groene Spelling motiveert Van Sterkenburg zijn medewerking: hij had wel willen wachten tot de spellingscommissie klaar is, al kon dat nog eindeloos duren en al was het Groene Boekje uit 1954 heel erg verouderd, maar de uitgever werd ongeduldig. Voor de SDU was het telkens herdrukte Groene Boekje een van de kurken waarop zij dreef en toen de uitgeverijen Wolters-Noordhoff en Het Spectrum met eigen spellinggidsen onder haar duiven begonnen te schieten, besloot de SDU de handschoen op te pakken en de markt te heroveren.

In Van Sterkenburgs woordenlijst, die begin 1991 verscheen, staan dertigduizend nieuwe woorden (drive-inwoning, bloedsuikerspiegel, spiraaltje). Met pijn in het hart geeft hij in een appendix alle toegelaten varianten op de voorkeurspelling, want hij rekent liever vandaag dan morgen af met die keuzemogelijkheid. Dat is het gilde van de linguïsten aan de samenleving verplicht, vindt hij: “Als je naar de dokter gaat, wil je ook horen wat je precies mankeert, en niet: "Het kan dit zijn, maar ook dat'.” Van Sterkenburg, die ook hoofdredacteur is van Van Dale Groot Woordenboek van hedendaags Nederlands, vindt niet dat hij de spellingsverwarring alleen maar vergroot, een jaar voordat er misschien wel een heel ander Groen Boekje komt. “De oorspronkelijke lijst heb ik intact gelaten”, zegt hij, “ook al jeukten mijn handen en de status van mijn aanvulling is niet wettelijk. Er staan geen radicale wijzigingen in. Bij de nieuwe woorden met meer mogelijkheden heb ik een voorkeurspelling gekozen en in alle gevallen waarbij de regels voor de verbindingsletters -e en -en geen uitsluitsel gaven, koos ik voor de -en.” De spellingscommissie van de Taalunie beveelt hij aan om zo min mogelijk te veranderen aan het woordbeeld. Hij wil alleen een oplossing voor de verbindingsletters en de toegelaten spelling moet verdwijnen. “Ik heb een voorkeur”, zegt hij, “voor de c boven de k. Wat een probleem wordt met de Vlamingen, want elke k die op een c wordt veroverd, kan gevoeld worden als een triomf op het Frans.”

Een andere woordenboekenschrijver, Hans Heestermans van de Grote Van Dale, hoopt ook dat de toegelaten spelling verdwijnt. In de eerstvolgende editie van de Grote Van Dale, die dit najaar verschijnt, staat de toegelaten spelling nog wel overal bij, maar zodra de spellingscommissie van de Taalunie de knoop heeft doorgehakt, belooft hij, gaat die eruit. Ook hij heeft een voorkeur voor de c boven de k, “maar helaas is de invloed van de Vlamingen erg groot”, zegt hij, “dus het ziet ernaar uit dat we accepteren zullen moeten leren schrijven als aksepteren”.

Het mag een wonder heten als er, na alle politieke en wetenschappelijke stammenoorlogen, opnieuw een officiële spelling komt. Intussen heeft de taalgebruiker een autoriteit nodig. De krant is in de praktijk zo'n autoriteit, al maakt ze vijftien fouten per pagina. Dat zijn nog altijd fouten tegen haar eigen standaard, waarop de lezers haar kunnen aanspreken. Als de overheid besluit om definitieve taalregels op te stellen, kan ze zich beter laten adviseren door een conservatief taalbolwerk als de krant, dan door een kibbelend conclaaf van taalgeleerden dat bereid is om ons van de ene op de andere dag leezd en verblijvd te laten schrijven, omdat zijn gevoel voor systematiek daarmee wordt bevredigd.