BOKKERIJDERS

In het Boekenbijvoegsel van 7-12-1991 besprak Luuc Kooijmans het pas verschenen boek van Anton Blok over De Bokkerijders in de Landen van Overmaas. Blok houdt zich al sinds de jaren zeventig met dit thema bezig en heeft met dit boek zijn definitieve woord over de bokkerijders gesproken.

Hij sluit aan bij het tradionele beeld en beschouwt hen nog steeds als een grote roversbende die in de jaren 1730 tot 1774 herhaaldelijk overvallen pleegde in en rond de streek van het tegenwoordige Zuid-Limburg. Honderden personen zouden lid van die bende zijn geweest, en zich door een goddeloze eed aan de duivel hebben toegewijd. De roversbende nam zodoende de vorm aan van een geheim genootschap, aldus Blok. Het is hem bekend dat het aantal rovers veel te groot is in vergelijking met de begane diefstallen, zoals reeds tijdgenoten opmerkten. Volgens Blok waren het dan ook geen gewone dieven, maar mensen die zich verzetten tegen de gevestigde orde en dat uitten door in grote groepen kerken en boerderijen te overvallen, zonder echt op buit uit te zijn.

Blok schenkt echter geen aandacht aan de kritische geluiden die sinds geruime tijd klinken ten aanzien van de gangbare ideeën over de bokkerijders. Luuc Kooijmans wijst er terecht op dat het probleem ligt in de gebruikte bronnen. In hoofdzaak zijn dat de processtukken, speciaal de uitvoerige bekentenissen van de verdachten. Maar die bekentenissen kwamen tot stand tijdens een verhoor onder zware foltering of na dreiging met foltering. Ze zijn allerminst betrouwbaar.

In december 1743 schortte de Souvereine Raad van Brabant de processen in een aantal schepenbanken op en verlangde dat de stukken ter controle naar Brussel werden gestuurd. Het oordeel dat de advocaat-fiscaal uitbracht, loog er niet om: Wanneer schouten en schepen voortgaan op de manier waarop ze zijn begonnen, wie zal er dan nog onschuldig zijn, naar de oude spreuk ""si accusasse sufficiat, quis innocens erit''.

Door toedoen van de Raad kwam in 1745 een einde aan de terechtstellingen. Maar bij de plaatselijke autoriteiten bleef het idee leven dat men met een grote bende te doen had. Een waandenkbeeld dat door de onder foltering afgedwongen bekentenissen telkens werd bevestigd. Vooral tijdens de derde vervolgingsperiode (1771-1777) heeft het waanidee van de grote bende en het ongelimiteerd toepassen van de foltering zeer veel slachtoffers geëist. In totaal meer dan 500 personen.

Blok heeft juist deze bekentenissen zonder enig voorbehoud benut om gegevens over de bendeleden en hun activiteiten te achterhalen. Hij is zodoende zelf het slachtoffer geworden van het oude waandenkbeeld. In het eerste gedeelte van zijn boek hangt hij een interessant beeld op van een geheimzinnige roversbende. Maar het is een beeld uit een fantasiewereld, het is nooit werkelijkheid geweest.

Illustratief voor het onkritisch gebruik van het bronnenmateriaal is de bij het artikel aangeleverde prent. Volgens het onderschrift is erop afgebeeld: Moord door Bokkerijders op een Limburgse boer, circa 1775. In feite is het de uitbeelding van een geruchtmakende moord in het plaatsje Gommersheim bij Speyer, waar in 1787 twee zonen hun vader vermoordden, zoals in het vlugschrift duidelijk is vermeld.