"Blank of zwart, het blijven immers domme mensen'

De meeste studenten op Amerikaanse highschools en universiteiten zijn beter in hun sport dan in hun studie. Ondanks toezicht blijken tal van basketballers en football-spelers bij de overstap van de universiteit naar een profclub halve analfabeten te zijn.

CHICAGO, 11 JAN. Dikke tranen rolden over het gezicht van Dexter Manley, een populaire American-footballprofessional, toen hij op een dag in december 1991 op een persconferentie die nationwide in de sportjournaals van de Amerikaanse televisiestations werd uitgezonden, bekend maakte dat hij zijn sportcarrière beëindigde. Voor de vierde maal in zijn loopbaan waren bij een dopinganalyse sporen van cocaïne aangetroffen. “Ik wil nu genezen”, sputterde de zwarte, grote, breedgeschouderde man.

Manley, een meedogenloze verdediger, was voordat hij door de Washington Redskins werd gecontracteerd vier jaar student aan de Oklahoma State University. Hij studeerde rechten, maar viel alleen op door zijn fantastische spel in de football-arena. Eenmaal bij de Redskins bleek dat Manley problemen met zijn ogen had waardoor hij slecht kon zien. Het woord "cat" wist hij niet te ontcijferen. Hij werd naar een speciale school gestuurd om met zijn handicap te leren omgaan. Uiteindelijk bleek dat Manley op de universiteit nooit een studieboek had ingekeken. Was niet nodig geweest.

Kevin Ross was een ster in het basketbalteam van Creighton University. Na verloop van tijd verliet hij de universiteit. Hij besloot terug te gaan naar de tweede klas van de lagere school. Hij wilde leren lezen. Ross schaamde zich er niet voor tussen ruim tien jaar jongere klasgenoten te zitten. Hij wilde op die manier het sportbeleid van de universiteit aan de kaak stellen. Van de coaches had hij niet naar de colleges gemogen. Hij moest immers trainen. En lezen dat deden zij wel voor hem. Hij moest zijn mond houden en spelen. Anders zou hij nooit een professional worden.

Het is slechts een kleine greep uit de vele gevallen van uitbuiting van sporttalent die zich aan de Amerikanse universiteiten en highschools voordoen. Het recruteren van begenadigde sportmensen door coaches van scholen heeft zo'n massale omvang gekregen dat veel mensen in de Verenigde Staten de verhalen niet meer kunnen horen. In zijn serie "The young professionals' beschrijft Barry Temkin van de Chicago Tribune in gruwelijke details hoe kinderen van pakweg dertien jaar worden bestookt door coaches van highschools en universiteiten. En zich domweg verkopen aan de meest biedende.

Voordat Tom Kleinschmidt, een basketbaltalent van bijna zestien jaar, kon kiezen naar welke universiteit hij ging, had hij in drie jaar 2184 brieven met de mooiste toezeggingen van 135 verschillende universiteiten ontvangen, was hij 33 op universiteiten gefêteerd, had hij heel de Verenigde Staten mogen bekijken vanuit de ramen van de duurste hotelkamers en grootste limousines. Uiteindelijk bleven er twee mogelijkheden over. Maar voordat hij naar Champaign ging, brak hij zijn voet. Hij speelt nog, maar nooit meer als vroeger. Hij studeert.

Jongens worden gevolgd door coaches met videocamera's, ook op straat. Hun hele familie wordt doorgelicht. Grote handen en grote voeten genieten de voorkeur. Er zijn coaches die de mogelijke genetische ontwikkeling van een jongen nagaan door naar de maten van de ouders te vragen. Wanneer een betrekkelijk kleine jongen van zestien nog geen haargroei op zijn gezicht heeft, is het goed. Want wanneer hij zich al moet scheren, is de kans klein dat de hormonen het lichaam nog doen groeien.

De rector van de University of North-California in Berkeley, Ira Michael Heyman, meent dat de Verenigde Staten te veel een sportnatie zijn geworden. “Iedereen praat over sport, denkt in sporttermen. Op de universiteiten domineert de sportwereld, niet de opvoeding. Het enige wat ervan geleerd wordt is corruptie. Liegen en bedriegen. Geld wordt ermee verdiend. Jonge mensen worden gebruikt als handelswaar. Of profileren zich als prostitué, verkopen hun lichaam in de hoop later een profcontract te verdienen. Waar wie maakt zich daar zorgen over? Wat kan het publiek het schelen dat sportsterren niet gestudeerd hebben, dom zijn. Blank of zwart, het blijven immers domme mensen.”

Heyman beseft dat het publiek niet vraagt om gestudeerde topsporters. “En waarom zouden de sportmensen studeren? Ze zijn alleen genoodzaakt naar highschool of universiteit te gaan om goed te kunnen sporten. Maar het gaat er bij hen toch alleen maar om in de laatste dertig seconden het winnende punt te scoren. Ze zijn er om het stadion te vullen, om hun school op de televisie te krijgen. En wanneer ze van school af zijn gaan ze naar de profs. Daar verdienen ze miljoenen. Wat maakt het dan uit of ze de krant niet kunnen lezen en hun huishoudboekje niet kunnen bijhouden. Daar hebben ze hun managers voor. Wat is het probleem eigenlijk? Die paar duizend kinderen die niet kunnen lezen en rekenen?”

De NCAA (National Collegiate Athletic Association) doet manmoedige pogingen door middel van reglementen sport op universiteiten zo sportief mogelijk te laten verlopen. Recrutering van talentvolle sportmensen door universiteiten mag, maar streng gelimiteerd. Wanneer een coach een door hem begeerde sportjongen bij hem thuis vraagt voor een etentje, is dat toegestaan. Maar doet hij dat twee- of driemaal, of neemt hij hem mee naar een restaurant, dan is hij in overtreding. Telefoneert een student opmerkelijk veel op het kantoor van zijn coach, dan handelt hij tegen de regels.

Overtreding valt nauwelijks te controleren door de NCAA. Maar het systeem werkt wel een beetje. Wanneer een student zich benadeeld voelt, klaagt hij iemand aan bij de reglementencommissie. De straffen zijn niet mis. Variërend van schorsing van de coach, beperking bij de universiteit van het aantal beurzen aan sportende studenten, verbod op tv-uitzending van wedstrijden en terugtrekking van het betrokken team uit de competitie.

Dat laatste kan fatale gevolgen hebben. Want als bijvoorbeeld een college-basketbalteam niet mag spelen, heeft het basketbalprogramma van de universiteit geen inkomsten door middel van entree of contracten met het plaatselijke tv-station. Dan wordt het basketbalprogramma afgevoerd. De zogenoemde death-penalty komt regelmatig voor. Op de University of San Francisco bestaat geen basketbalteam meer. Op een van de universiteiten van Texas is het football-team opgeheven. Oorzaak: overtreding van de recruteringsreglementen. Elke dag staat in de Amerikaanse kranten wel een bericht over een NCAA-straf.

De NCAA eist tevens dat de sportende studenten op academisch niveau mimimaal voldoendes halen. Momenteel wordt tijdens een congres in Anaheim overwogen het gemiddelde cijfer te verhogen. Bij te lage cijfers wordt de beurs ingetrokken of mag een speler niet meer in de competitie of op een kampioenschap uitkomen. Sportmensen die niet het niveau bereiken die voor een universiteitsopleiding noodzakelijk is, mogen niet worden toegelaten.

Dat deze regels toch worden overtreden is het gevolg van de expansiedrift van de universiteitsleiding. Sommigen vinden de sportreputatie van hun school zo belangrijk dat ze zich niet storen aan de NCAA-wetten. John Brademas, nu president van de New York University, legde in 1980 het aanbod van de University of Miami naast zich neer, omdat hij vond dat Miami de nadruk op sport, football en basketbal, legde en niet op de academische opleiding.

Nienke Blans is een Nederlands meisje dat afgelopen zomer aan de Ohio State University in Columbus mocht gaan studeren. Ze speelde hockey in het tweede team van HGC en wilde naar de Verenigde Staten. Ze stuurde brieven naar vier universiteiten met een hockey-programma, refereerde aan de reputatie van haar club en beloofde videobanden waarop haar hockeytalent tot uiting kwam. Ze werd uiteindelijk door de coach van Ohio uitgenodigd. “Na twee telefoontjes zei hij dat hij niet meer mocht bellen, anders was hij in overtreding.”

Ze zegt het afschuwelijk te vinden, die NCAA-regels. “Er wordt ontzettend op je gelet. Er is een verkliksysteem. En iedereen vindt het normaal. In het eerste jaar moet je gemiddeld een zes halen. Je moet een bepaald aantal uren op school zitten. Ben je minder aanwezig, dan krijg je onmiddellijk de coach op je dak. Daarnaast mogen we maar acht uur per week trainen.”

Nienke Blans heeft een beurs. “Maar wil ik die houden dan moet ik presteren.” Alle faciliteiten zijn voorhanden om die prestaties te bereiken. Ze reizen altijd per vliegtuig en logeren in sjieke hotels. Maar het bevalt haar niet echt. Die keiharde mentaliteit. Geen gezelligheid na de wedstrijd. Want het gaat alleen om presteren, winnen. Het hockey stelt weinig voor. “Veel hollen. En je moet gewichttrainingen doen, want lichaamskracht is belangrijk. Hockey wordt op pure kracht gespeeld, als ijshockey bijna. Techniek is niet belangrijk. Hockey is een experiment op onze universiteit. Wanneer we geen succes hebben, wordt het afgevoerd.”

Op Berkeley hecht men veel waarde aan het hoge academische niveau van de studenten. “We kunnen door onze reputatie erg selectief zijn”, zegt Bill Manning, plaatsvervangend rector. “Iedereen wil hier studeren. Vorig jaar hadden we 25.000 aanvragen. We kunnen er slechts 3.500 honoreren. Onze coaches kunnen daardoor hoge eisen stellen aan de sportmensen. We streven naar een evenwicht tussen academische prestaties en sportieve prestaties op het hoogste niveau.”

De sportieve prestaties van de Berkeley-studenten zijn niet slecht. Het American-footballteam boekt redelijke successen in de hoogste college-competitie, evenals het basketbalteam. De zwemmers en waterpoloërs zijn van het hoogste Amerikaanse niveau en het rugbyteam is nationaal kampioen. Het sportprogramma telt elf major sports: football, basketbal, volleybal, atletiek, roeien, voetbal, softbal, honkbal, waterpolo en zwemmen.

Berkeley is een van de hoogst aangeschreven universiteiten van de Verenigde Staten. En dat wil men zo houden. “We hebben een re-entry programma ingevoerd. Sportmensen die tijdens hun studie wilden afhaken omdat ze de voorkeur gaven aan een profcontract, kunnen terugkeren om hun studie af te ronden. We begrijpen hun dilemma. Vorig jaar zijn zes jongen teruggekomen. Ze kunnen ook buiten het seizoen aan de zomerschool studeren. Wij willen dat onze studenten een goede naam hebben. Dat zijn wij aan onze stand verplicht.”

Wayne Osness is voorzitter van de Education Committee van het Amerikaans Olympisch Comité. Zijn beleid is erop gericht sport op een breed niveau te promoten. Topsport geniet allesbehalve prioriteit. Door middel van programma's op scholen wordt de jeugd voorgehouden dat sport gezond is. “We leren ze wat fairplay is, waarom er regels zijn, dat sport je lichaam goed doet, de kwaliteit van het leven.”

Osness, directeur van het Robinson centrum (een sportopleidingsinstituut aan de University of Kansas) in Lawrence, is optimistisch van aard. Maar hij kan verdrietig worden als hij zich de reacties herinnert in de Verenigde Staten na de Olympische Spelen in Seoul. “Nu hebben we zoveel sportprogramma's op scholen en universiteiten, we hebben de beste sportwetenschappers, we stoppen er het meeste geld in en nog hebben we niet de meeste gouden medailles. Maar wij van het Olympisch comité willen onze wetenschap juist gebruiken ten gunste van de gewone mensen, van al de mensen die ook belasting betalen. Als we het alleen aan de topsport geven, zijn de Verenigde Staten straks failliet.”

Osness steekt zijn energie in de jeugd. “We geven ze een bal, we bouwen een sportzaaltje in de buurt, we betalen een coach. Wij van het Olympische comité kiezen in januari Carl Lewis tot Amerikaans sportman van het jaar. Niet omdat hij de beste is, maar omdat hij een voorbeeld moet zijn voor de jeugd. De NCAA doet zijn best, wij doen ons best. Maar waar zijn we mee bezig als in topsport zoveel geld omgaat? En iedereen gebruikt anabole steroïden. Van football tot atletiek. En iedereen weet het. Maar niemand durft de cijfers naar buiten te brengen. Er zou een golf van walging over de wereld kunnen slaan. Laat mij dan werken aan de opvoeding van de jeugd. Hoewel ik weet dat het geld van de profleagues lokt. Dan maar tien jaar eerder dood, zeggen de jongens.”

Tijdens de rondleiding langs de indrukwekkende sportaccommodaties op de campus glundert Osness. De ruim bemeten overdekte atletiekhallen, de honderd jaar oude basketbalarena die 20.000 mensen kan bevatten, het football-stadion met 80.000 zitplaatsen. Hij opent een deur en we kijken een immens krachtcentrum binnen. Een overdadig arsenaal aan apparatuur. Het ziet zwart van gespierde jongens. Een van hen passeert ons bij de deur. Brede kaken, stierenek, grote ogen, stekelhaar. “Vollemaansgezicht. Typisch een anabolenman”, weet Osness. “Ik hoef het hem niet te vragen. Hij ontkent. So what? Vragen naar zijn studieresultaten? Who cares?”