Tucht en sentiment; Louis Ferron over een hotel in Duitsland

Louis Ferron: Spergebied. Uitg. De Bezige Bij, 161 blz. Prijs ƒ 28,50.

Duitsland is voor Louis Ferron (1942) vanaf zijn eerste boeken een nooit opdrogende bron van inspiratie geweest. Ook zijn nieuwste roman, Spergebied, heeft weer de Duitse geschiedenis tot thema, maar dit keer heeft deze geschiedenis door de eenwording een actuele bijklank gekregen.

Het boek speelt zich af in een omgeving die, hoe anoniem ook, alleen maar Duits kan zijn. Een Nederlandse historicus neemt zijn intrek in een hotel dat gelegen is in een niet nader benoemd spergebied, een gebied aan een grens waar tot voor kort niemand zonder speciale toestemming in mocht. Hij is de enige gast in het hotel, hij raakt in gesprek met de man die het hotel drijft en zo komt achter de bijzondere geschiedenis van de plek waar hij verblijft.

Het jaar waarin het verhaal speelt is nauwkeuriger aangegeven dan de locatie. Het is 1989, het jaar waarin de grens tussen de Bondsrepubliek en de DDR wegviel. Ook in het boek is sprake van zo'n wegvallende grens. Het spergebied waarin het hotel ligt is plotseling toegankelijk geworden en samen met de hotelhouder wandelt de Nederlander langs de zojuist verlaten wachttorens naar de grens.

Het grootste gedeelte van Spergebied gaat echter niet over 1989, maar over de zestig jaar die aan het verdwijnen van de grens zijn voorafgegaan. Het boek zet de vier verschillende periodes uit de Duitse geschiedenis tegenover elkaar die de hotelhouder aan den lijve heeft ondervonden. Hij vertelt zijn gast over de gouden tijd toen het nazisme nog niet in de provincie was doorgedrongen. De Nazitijd komt zijdelings in beeld. En daarna heeft hij het, in niet altijd even heldere fragmenten, over de verschillende episoden van het socialisme en de grote omwenteling.

Wat Ferron in Spergebied, naar ik aanneem, wil laten zien is dat de Duitse mentaliteit in de tijd die sinds de jaren dertig is verlopen maar bitter weinig veranderd is. Zo duidt hij de Hitlerjugend en de latere Vrije Duitse Jeugd (FDJ) opzettelijk op vrijwel dezelfde manier aan. De eerste organisatie noemt hij, niet onaardig, het Jongvolk, de tweede noemt hij het nieuwe Jongvolk.

Een tweede thema in het boek is de activiteit van de moderne historicus. In de ogen van Ferron is dat iemand die zich bezig houdt met het zoeken naar details in een ontwikkeling die al lang niet meer overzien kan worden: “Onderzoek van het detail, het onbenullige detail, omdat je aan onze universiteiten alleen nog in onbenulligheid schitteren kunt.” De Nederlander over wie hij schrijft is op zoek naar informatie over een obscure zeventiende-eeuwer, een figuur die geïnspireerd moet zijn op Athanasius Kircher, maar omdat het plaatselijk archief wegens omstandigheden gesloten is, richt hij zijn aandacht voorlopig op de voormalige eigenaar van het hotel. “De weg vrij voor het volmaakte gewauwel, het hinein interpretieren tot in de zuurstofloze hoogtes van het geniale, alles omvattende en dus niets meer behelzende betoog omtrent een gek en zijn bizarre bedenksels.”

Kenmerkend voor zijn nieuwe onderzoeksobject is dat deze het romantische heeft willen verzoenen met het geordende. De voormalige hoteleigenaar streefde naar een synthese van de twee elementen die in de ogen van Ferron waarschijnlijk staan voor de Duitse mentaliteit. Aan de ene kant, zo zou je kunnen zeggen, is de Duitser geneigd een nogal sentimentele en troebele binnenwereld te cultiveren. Tegelijkertijd heeft hij een behoefte aan tucht, aan onderwerping aan een zo strak mogelijk geordende buitenwereld.

Zoeklichten

Op de omslag van het boek zijn deze twee aspecten symbolisch weergegeven door een radiator van de centrale verwarming tegen een achtergrond van een bloemetjesbehang. In het boek zelf gebruikt Ferron in enkele sleutelpassages het beeld van een biedermeier plaatje van een vrouw waarin een getralied raam en de zoeklichten van de grenswachten worden weerspiegeld.

Het minste wat je van Spergebied kunt zeggen is dat het, net als de meeste eerdere boeken van Louis Ferron, een pretentieus boek is. Op een van de eerste bladzijden wordt nogal nadrukkelijk naar Thomas Bernhard verwezen die schreef dat ieder mens tegelijkertijd wil deelnemen aan de maatschappij en met rust gelaten wil worden.

Ferron is erop uit deze tamelijk algemene stelling te illustreren aan de hand van de recente Oostduitse geschiedenis en dat leidt op verschillende plaatsen tot rake opmerkingen. Over de vlucht in het innerlijke bijvoorbeeld die zoveel Oostduitsers in de jaren zestig en zeventig hebben gemaakt, schrijft hij “August bleef (-) om zijn geloof te kunnen bewaren dat hij het alleen tegen de hele wereld kon opnemen.”

Ook de manieren waarop iemand zich, volgens Ferron, in een autoritair land staande kan houden zijn over het algemeen goed getroffen. In de ogen van Ferron is het mogelijk om formeel aan de verwachtingen te voldoen zonder je geestelijk ook maar één moment gewonnen te geven. Aanpassing als een gebaar van verachting. Daartegenover staan de mensen die volgen zonder na te denken. Over zo iemand schijft Ferron: “De leer (had) hem betrekkelijk koud gelaten en hij had haar daarom des te kritieklozer kunnen aanhangen.” Ook het opzettelijke geheugenverlies dat voor veel Duitsers een voorwaarde was om de verschillende wisselingen van regime te kunnen overleven komt in de roman goed tot zijn recht.

Het is daarom jammer dat Ferron vaak zo moeizaam formuleert. Ik heb er al eens eerder op gewezen dat Ferron de neiging heeft om soms net zo duister te worden als zijn hoofdpersonen. En als hij dat niet doet drukt hij zich, misschien doordat hij zijn eigen zwakte kent, vaak overdreven stijf en plechtig uit. Over een borduurmotiefje op het schilderij schrijft hij: “Al zou het niet behoeven te verbazen als ook dit motief een uitspraak behelst omtrent de stemming van de borduurster.” Over de roeping van de historicus: “Ware dat niet het geval geweest dan zou ik wellicht over een carrière als romanschrijver hebben nagedacht.”

Je zou wensen dat Louis Ferron eindelijk eens een goede eindredacteur kreeg die hem onverbiddelijk op zijn zwaktes wijst. Ferron heeft, dat blijkt uit Spergebied, genoeg te zeggen. Hij weet alleen niet altijd hoe.