Thee met een tic bij Kandinsky; Gesprek met Bauhaus-student Jan van der Linden

Voor Jan van der Linden was het Bauhaus “een totale verandering van het studerende leven”. Samen met zijn broer Kees van der Linden was hij in de herfst van 1930 naar het toen al roemruchte Bauhaus in Dessau getrokken, een uur reizen met de trein van Berlijn. In Amsterdam had hij chemie, klassieke talen en rechten gestudeerd. Broer Kees studeerde chemie in Leiden, want chemie was het vak van hun vader, directeur van een fabriek in Schiedam. Maar de beide broers werden sterk aangetrokken door de kunst en in het bijzonder door architectuur.

Jan van der Linden was kind aan huis bij H.P. Berlage, bij wiens dochter hij op het lyceum in Den Haag in de klas had gezeten. De bouwmeester wees hem op de voordelen van een opleiding aan de Duitse "hogeschool voor de vormgeving'. Hij zei tegen Van der Linden (nu 84): “Wil je een all-round architectenopvoeding, dan moet je naar Dessau.”

Ruim drie jaar lang volgden de gebroeders Van der Linden colleges van kunstenaars als Wassily Kandinsky, Paul Klee en Ludwig Mies van der Rohe, de laatste had in 1930 het directeurschap overgenomen van Hannes Meyer, die Walter Gropius was opgevolgd. De collegedictaten, de manuscripten, foto's, brieven en andere documenten uit het bezit van Jan van der Linden zijn door hem afgestaan aan het Bauhaus-Archiv in Berlijn.

Dankzij Van der Lindens archivalia ontstaat voor het eerst een grondig inzicht in het architectuurcurriculum onder het bewind van Ludwig Mies van der Rohe. Dit is van belang omdat het bestaande, betrekkelijk negatieve beeld van het Bauhaus onder "Mies', nu kan worden bijgesteld, schrijft Marty Bax. Daarnaast gunt het archiefmateriaal ons een blik op het dagelijkse Bauhaus-leven.

Gevraagd naar zijn indrukken toen hij in Dessau kwam, in een gemeenschap van nog geen driehonderd studenten, herinnert Jan van der Linden zich: “Altijd een strijdbaar, maar ook een zeer broederlijk samenkomen, middenin het sociale leven. Heel iets anders dan ik tijdens die zes jaren in Amsterdam was gewend. Op het Bauhaus had je te maken met mensen die niet konden studeren en zelfs niet konden eten omdat ze geen geld hadden. Je kunt zeggen dat één derde van de studenten onder de gewone maatstaven leefde.

“Je moest wennen aan een heleboel dingen. Zo was de omgang onder elkaar heel vrij. De studenten en "Studentinnen' die het arm hadden, stonden model. Helemaal naakt. En dat is moeilijk als de sociale sfeer niet zo is, dat je het gevoel hebt: ik doe het om zèlf verder te kunnen studeren.”

Jan en Kees van der Linden waren van goede komaf. De gebroeders kregen keurig op tijd hun maandgeld uit Holland. Maar eenmaal geconfronteerd met de armoede die onder de studenten op het Bauhaus heerste, wierpen zij zich op om de levensomstandigheden op te vijzelen. Zij richtten een mensa en een bibliotheek op. Jan van der Linden riep bovendien een studentenpot in leven, die er op neerkwam dat elke student die meer verdiende dan driehonderd mark per maand, tien procent van zijn salaris moest afstaan ten behoeve van zijn arme medestudenten.

Toen onder de studenten beroering ontstond naar aanleiding van een gelijktijdige verlaging van de studiebeurzen en een verhoging van de docentensalarissen, stapte Jan van der Linden naar Mies van der Rohe: “Hij zat in de ivoren toren van zijn directeurskamer en ik wees hem erop dat dit niet ging. Dat vond Mies helemaal niet zo leuk en hij heeft toen enkele dingen veranderd. Mies van der Rohe wist niet goed wat er leefde onder zijn leerlingen. Hij was een grote persoonlijkheid, maar de actieradius van die persoonlijkheid beperkte zich tot zijn beroep. Hij gaf fantastisch college. Als je aan het knoeien was, dan kwam hij langs en zette met één veeg van zijn potlood alles recht. Daar heb ik veel aan gehad en ik geloof dat dit ook voor andere studenten gold. Maar het was geen man om zo'n ingewikkeld bedrijf in dergelijke tijden te leiden. Dat vereist een werelds inzicht. Zijn grootte lag in zijn architectuur.”

Er is een gangbare bewering die zegt dat Mies van der Rohe zijn directeurschap heeft aangewend om zijn eigen architectuur-opvattingen op te leggen aan het Bauhaus, ten nadele van de kunstzinnige en filosofische vakken. Een van de conclusies die op grond van het collegemateriaal van Van der Linden kan worden getrokken is, dat het lesmateriaal onder het directoraat van Mies vrijwel ongewijzigd bleef. Wel kreeg de architectuur als samenbindende factor van het mythische "Gesamtkunstwerk' meer aandacht. Maar dat was juist helemaal in de geest van de oprichter Walter Gropius.

Jan van der Linden: “De architectuurstroming werd sterker ten koste van de kunstzinnige onderdelen in het totaalprogramma. Vroeger was het Bauhaus meer een gemeenschap van kunstenaars, in mijn tijd werd het meer een gemeenschap van werkers. Wel kunstzinnig, maar geen kunstenaars zoals Kandinsky en Klee.”

Tot het eind van 1933 bleef een evenwicht bewaard tussen de bouwtechnische- en de artistiek-filosofische vakken. Tegenwoordig wordt het Bauhaus vaak verweten de architectuur teveel te hebben gezien als een vorm van technologische en economische planning. Zo zou de functionalistische Bauhaus-ideologie een van de oorzaken zijn van de onleefbare, na-oorlogse stadswijken.

Van der Linden: “De bouwtechniek hoort erbij, maar zoals tegenwoordig de techniek in vooral die hoge gebouwen overheerst, nee, dat was toen nog lang niet zo. Aan het Bauhaus bestond nog een evenwicht tussen esthetiek en techniek. We bestudeerden hoofdzakelijk de arbeiderswoning, de Kleinstwohnung, de minimumwoning. Daar heb ik, na de tweede wereldoorlog, toen je niet meer mocht bouwen dan vijfhonderd kuub per huis, veel aan gehad.”

Ondanks de grote politieke meningsverschillen was de sfeer op het instituut altijd goed en gezellig, zegt Jan van der Linden. “Er was geen afstand tussen docenten en studenten, behalve dan bij de kopstukken. Kandinsky en Mies interesseerden zich niet zo voor de dagelijkse gang van zaken. Klee was helemaal abständisch. Toch onderhielden we met Kandinsky wel een hartelijk contact. We zochten hem op in zijn Meisterwohnung, die mooi was ingericht met schilderijen van hemzelf. Dan kregen we Russische thee met rum en extra koekjes van mevrouw Kandinsky, dat was zalig want verder leefden we heel eenvoudig. We hadden het over de abstracte kunst en de antroposofie, verder over wisjes en wasjes. Hij was zeer charmant, hij vond het leuk om een paar buitenlanders op de thee te hebben.”

De laatste drie jaren van zijn bestaan viel het Bauhaus regelmatig ten prooi aan interne politieke strijd. Tegenover een sterke communistische stroming, die architectuur en vormgeving vooral zag als middelen om sociale vraagstukken op te lossen, stond een groep van gematigde studenten en docenten die voorrang wilde geven aan het kunstzinnige.

Van der Linden: “Er was elke dag spanning, zo erg dat je dacht: hou nu eens op met herrie maken. De communisten wilden alles. De anderen wilden gewoon leren. In de studentenvergaderingen laaide dat hoog op en ik probeerde te bemiddelen. Ik probeerde de goede geest erin te houden.”